23 januari 2020
Home Verhalen van veteranen Winterfront in Zeeland

Winterfront in Zeeland

Huub van Loon (1924-2014) was 16 jaar toen de oorlog uitbrak. In de loop van de oorlog rolde Huub het verzet in.

Veteraan Huub van Loon (1924-2014) was 16 jaar toen de oorlog uitbrak. Op 12 mei 1940 maakte hij de grootschalige evacuatie (de vlucht) van Breda mee, een traumatische gebeurtenis die bij veel oudere inwoners in het geheugen is beklijfd. In de loop van de oorlog rolde Huub van Loon het verzet in. Hij was onder meer betrokken bij het smokkelen van wapens. Na de bevrijding van zijn woonplaats Breda werd zijn verzetsgroep ingelijfd bij de Stoottroepen. Dit maakte dat Van Loon in de winter van 1944-1945 actief was aan het front in Zeeland. In het kader van de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen (ICNV) werd Huub van Loon geïnterviewd over zijn oorlogservaringen.

 

Huub van Loon werd in 1924 geboren in Chaam, een dorp vlakbij de Belgische grens. Hij was de oudste in een gezin met zeven jongens. Zijn vader had een slagerij in Chaam. Zijn vader besloot om te verhuizen met zijn gezin en zijn bedrijf vanuit Chaam naar het Spoorkwartier in Breda om zijn jongens een goede opleiding te kunnen geven. In mei 1940 dreigde Breda in de vuurlinie te raken tussen Duitse troepen die de stad naderden en Franse troepen die vanuit het zuiden oprukten. Op last van de Fransen werden op 12 mei alle 50.000 inwoners geëvacueerd. Door de paniek en chaos die ontstonden, kwam er van de zorgvuldige evacuatieplannen, die de burgemeester van Breda – een oud-militair – al voor de oorlog had laten opstellen, niets terecht. De familie Van Loon maakte deel uit van een groep van zo’n 25.000 mensen die te voet, met fietsen, karren en kinderwagens richting Zundert en Achtmaal vluchtte. Daar kwam de groep terecht op de route waarlangs de Franse troepen oprukten. Duitse vliegtuigen namen de Franse troepen – en de vluchtelingen – onder vuur, waarbij veertig inwoners van Breda het leven lieten. Een andere groep vluchtte in de richting van Antwerpen, maar raakte door de oprukkende Duitse troepen steeds verder van huis en belandde uiteindelijk diep in België, in Frankrijk of zelfs in Noord-Spanje. Na de capitulatie duurde het nog maanden om alle evacués op te sporen en met bussen terug te brengen.

De familie Van Loon kwam in het Mastbos ten zuiden van Breda terecht. Huub van Loon en zijn broers gingen om de beurt naar Breda om te controleren of de slagerij van hun vader niet werd leeggeroofd. Breda was immers een verlaten stad. “Er liepen veel graaiers rond. Nederlanders hè, die overal aan het jatten waren”, herinnert Van Loon zich die dagen. “En toen zei mijn vader: “voordat ze bij ons binnen zijn, laten we maar naar huis toe gaan’”. Thuis trof het gezin een ongeschonden huis en winkel aan.

De verzetsgroep Dankers (D68)
In de loop van de bezetting werd Van Loon door een vriend gerekruteerd, die actief was bij verzetsgroep Dankers,. “En zo ging dat van jongen tot jongen. Zo werd die groep bij ons in het Spoorkwartier uitgebreid.” In de wijken van Breda waren meerdere verzetsgroepen actief. Van Loon werd lid van D68. “De D was van Dankers en 68 was het huisnummer van de straat waar hij woonde. Dankers was de leider. Voor de oorlog was hij sergeant geweest.” Jeugdige bravoure was voor Van Loon de belangrijkste reden om bij het verzet te gaan:

“Het was in de eerste plaats sensatie. Je gaat iets doen voor je vaderland, in een tijd dat je eigenlijk nergens bang voor bent.”

Ton Dankers zette Van Loon in voor het smokkelen van wapens van België naar Breda. In België waren veel geheime wapenopslagplaatsen. De smokkelroute liep door de Chaamse bossen. Van Loon kende alle wegen rondom Chaam, waar hij was opgegroeid, als zijn broekzak.

De verzetsgroepen in de Bredase woonwijken speelden een belangrijke rol in de aanloop naar de bevrijding van de stad op 29 oktober 1944. In de stad waren meerdere kazernes die de Duitsers hadden gebarricadeerd. Elke verzetsgroep moest er voor zorgen dat de barricaden van de kazerne in haar wijk waren afgebroken om zo inname van de kazernes door geallieerde troepen – in dit geval Poolse legereenheden – te vergemakkelijken. Van Loon was met zijn kameraden verantwoordelijk voor het opruimen van de versperringen bij de Trip van Zoutlandkazerne. Daarnaast hielp hij ook mee om te voorkomen dat de Duitsers verschillende bruggen lieten springen in Breda.

Bevrijding in Breda.

Na de bevrijding van Breda lieten de verzetsgroepen in de wijken zich niet zomaar opzij zetten. Zonder duidelijke richtlijnen arresteerden ze iedereen die verdacht werd van ‘onvaderlandslievende activiteiten’ tijdens de bezetting. Hun eigengereide optreden zette kwaad bloed bij het Militaire Gezag (MG), dat namens de Nederlandse regering in Londen het dagelijks bestuur in het bevrijde deel van Nederland uitoefende. Met name de verzetsgroep Dankers – inmiddels zo’n 300 man sterk– vormde in de ogen van het MG een groot ordeprobleem, omdat haar leden volgens het MG volstrekt eigenmachtig arresteerden, vorderden en de bevolking terroriseerden.

Oud-Knokploeg medewerkster Martha van Huessen-Pikaar beschreef verzetsgroep Dankers kort na de bevrijding als volgt; “Er is een club van D68, zoals ze genoemd worden, mannen die geprobeerd hebben de Geallieerden in te halen… Het zijn flinke mannen en ze hebben het prachtig voor elkaar, want ze hebben een gebouw gevorderd en geheel militaristisch ingericht met eet- en slaapzalen. Voor het gebouw staat een kanon opgesteld, waaraan alles, wat ze buit gemaakt hebben en langs de weg gevonden hebben, opgehangen wordt.” En over aanvoerder Dankers schreef ze: “Van achteren hangt er net zoveel aan als van voren: sabel, een trajectkaart, een riem met hulzen, te veel om op te noemen … (hij) rijdt overal naar toe, steeds heeft hij ter bescherming een paar mensen om zich heen.”

Het MG probeerde de orde in de stad te herstellen en liet Dankers arresteren. Toen zijn ‘troepen’ naar het Huis van Bewaring kwamen en met handgranaten dreigden, liet het MG hem snel weer vrij. Ondertussen drong het MG bij Prins Bernhard, bevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten, aan op een oplossing. Bernhard liet de groep van Dankers gedwongen opnemen in de Stoottroepen. Met deze militarisering hoopte het MG verder wangedrag te voorkomen, omdat bestraffing voortaan mogelijk was.

Begin december 1944 was er sprake van een 10e compagnie Stoottroepen van 154 man onder leiding van commandant Dankers. Ook Van Loon maakte deel uit van deze compagnie. De eenheid was overgeplaatst naar de Isabellakazerne in Vught, waar de compagnie met de militaire training was begonnen. De mannen van Dankers droegen burgerkleding en hadden een rood-wit-blauwe band als herkenningsteken. Zij beschikten over wapens die ze op de Duitsers hadden buitgemaakt. Ook na de gedwongen opname in de Stoottroepen en de overplaatsing naar Vught, veroorzaakte de groep van Dankers nog problemen in Breda en omstreken. Daar kwam pas een einde aan toen de groep begin januari 1945 naar het front in Sint Philipsland werd overgeplaatst.

De Binnenlandse strijdkrachten.

Winterfront in Sint Philipsland.
“Iedereen was wild enthousiast. Er had ook niemand bezwaar dat ze naar het front moesten. En je wist dat je een kans had om te sneuvelen. Dat werd er niet bij verteld, maar dat kon je wel nagaan”, aldus Van Loon. Na de opleiding in Vught vertrok de hele compagnie naar Willemstad, een Brabants vestingstadje aan het Hollandsch Diep, op de plek waar de rivier zich splitst in het Volkerak en het Haringvliet. Van Loon vermoedde dat ze daar naar toe gingen om ervaring op te doen. Aan de overzijde van Willemstad zaten de Duitsers langs het bevroren Haringvliet. De compagnie van Van Loon werd verdeeld over verschillende plaatsen langs het water. Met een brengun schoten de mannen het ijs kapot om te voorkomen dat de Duitsers het Haringvliet zouden oversteken.

“We waren bang dat ze eroverheen zouden komen, dus we hebben steeds dat ijs kapot geschoten.”

Ze probeerden de Duitsers die aan de overkant over de dijk liepen neer te schieten. De Duitsers probeerden op hun beurt de Nederlanders te raken. Volgens Van Loon was het ‘’een jachtterrein” daar langs de Haringvliet.

Na enige tijd werd de 10e compagnie naar het schiereiland Sint Philipsland overgeplaatst. Het schiereiland was begin november 1944 door de Canadezen bevrijd. De compagnie werd in groepen verdeeld, ze kregen allemaal een eigen sector langs de kust aan het Zijpe toegewezen die ze moesten beveiligen. Aan de overkant in Schouwen-Duiveland zaten de Duitsers. Na een bezoek van Prins Bernhard, waarbij ze hadden geklaagd over hun kleding, kregen ze Engelse uniformen, helmen en wapens. De groep van Van Loon was bij de familie Van Dijke in de Achterstraat in het gelijknamige dorp Sint Philipsland ingekwartierd. Ze zaten daar met ruim dertig man, onder wie een van de broers van Van Loon. Ze draaiden wisselende wachtdiensten, twee uur op twee uur af.

De aanval bij de Anna Jacobapolder
Op het schiereiland Sint Philipsland stond in het dorpje Anna Jacobapolder een watertoren die een Engelse artillerie-eenheid gebruikte als observatiepost. Dat was een doorn in het oog van de Duitsers. In de nacht van 22 op 23 januari 1945 staken vijftig Fallschirmjäger (Duitse parachutisten), gekleed in sneeuwpakken, in rubberbootjes het Zijpe over. In alle stilte kwamen ze aan op Sint Philipsland. Volgens Van Loon waren het “zeer gedreven Duitsers, goed bewapend en goed geoefend. En goed gekleed ook, want er lag toen sneeuw en ze waren allemaal in het wit gekleed.” Van Loon had officieel geen dienst, maar er was al snel sprake van een Duitse aanval. En zo werden alle troepen naar de Anna Jacobapolder gedirigeerd. Van Loon lag op de uitkijk op de hoek bij het plaatselijke kerkhof. “Mijn sergeant Piet Avontuur komt op dat moment van de dijk aflopen en nog geen tien meter van mij vandaan zit er een Duitser in de sloot en die schiet Piet zo in zijn kin en jaaa…! We konden ook niet veel. We lagen plat op onze buik anders konden de Duitsers ons zien en we zagen dus alleen maar schimmen bewegen. Het enige dat we gedaan hebben is dus op die schimmen schieten. We weten geen eens of we er geraakt hebben, er lag wel bloed. We hebben de zaak achteraf wel gecontroleerd uiteraard, maar we hebben geen één dode aangetroffen. Maar achteraf weten we dat Duitsers bijna altijd hun doden meenamen, dus als er doden zijn gevallen, dan zijn ze meegenomen.”

De Stoottroepers ontmoetten de Duitsers op het moment dat ze al ver achter de dijk waren. De groep van Van Loon kon de zwaarbewapende en goed gecamoufleerde Duitsers niet de baas. De Nederlandse militairen hadden te weinig munitie. Bovendien hadden ze geen ervaring met nachtelijke infanteriegevechten. Er ontstond een verwarrende toestand voor de militairen. De watertoren werd ondertussen niet meer bewaakt. En dat was precies de bedoeling van de Duitsers. De Fallschirmjäger brachten explosieven aan en bliezen de watertoren op. Zo snel als ze gekomen waren, verdwenen ze met hun rubberbootjes weer naar Schouwen-Duiveland.

“Op het appèl de volgende morgen werd gekeken wie er ontbrak en wie gesneuveld was tijdens het nachtelijk vuurgevecht. We werden allemaal geteld en zo konden we zien wie ontbraken. We gingen na het appèl zoeken en toen vonden we ook Piet Avontuur. We hebben hem tijdelijk begraven op het kerkhof van Sint Philipsland.” Bij de Duitse aanval kwamen uiteindelijk drie Poolse, twee Engelse en een Nederlandse militair om het leven. Er viel ook één burgerslachtoffer.

“We hebben uiteindelijk iedereen levend teruggevonden, behalve dus Piet Avontuur, dat was onze eerste dode. Dat hakt er toch behoorlijk in en hij was nog sergeant ook. Je kunt er als militair niet bij blijven stilstaan. We moesten verder. De sfeer werd bedrukter na zijn dood”, aldus Van Loon.

De 10e Compagnie bleef daarna nog enige tijd op Sint Philipsland. Uiteindelijk moest Van Loon noodgedwongen het front verlaten. Hij werd met een niervergiftiging naar een ziekenhuis in Oisterwijk gebracht. Hij bracht vier maanden in het hospitaal door om te herstellen. Tijdens deze maanden verloor hij het contact met zijn eenheid. Toen hij het hospitaal uitkwam, was de oorlog voorbij in Nederland. In de zomer van 1945 zwaaide Van Loon af. Een groot deel van zijn eenheid – ondergebracht bij het 3e Bataljon van het Regiment Stoottroepen –bleef bijeen en vertrok in oktober 1945 naar Nederlands-Indië.

De nacht van 22 op 23 januari 1945 is ook na 75 jaar nog niet vergeten in het Zeeuwse Sint Philipsland. Op de begraafplaats in Anna Jacobapolder werd in 2008 een monument onthuld in de naam van Piet Avontuur en zijn medestrijders.

Interview luisteren?
Geïnteresseerd in het hele verhaal van Huub van Loon? Luister hier naar het hele interview.

75 jaar vrijheid

Dit artikel is onderdeel van het thema ’75 jaar vrijheid’. Kijk voor meer artikelen en verhalen van veteranen op de themapagina.

Lees meer