10 januari 2020
Home Verhalen van veteranen Vliegboten en geheime agenten in de Indische Archipel

Vliegboten en geheime agenten in de Indische Archipel

Wil Hamers (1912-2011) vloog verschillende missies voor de Netherlands Forces Intelligence Service.

Wil Hamers (1912-2011) vloog als vlieger-waarnemer van de Marine Luchtvaart Dienst verschillende missies in de Indische Archipel voor de Netherlands Forces Intelligence Service. Op 13 januari 1945 zette hij een inlichtingengroep (party) op de kust van Borneo aan land. Deze party, onder leiding van luitenant Oscar Drijber, diende bij de lokale bevolking gegevens in te winnen over het door de Japanners bezette olie-eiland Tarakan, dat op drie kilometer van de kust van Borneo lag. Hamers vertelt erover in een interview dat is opgenomen in de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen (ICNV).

De uit Bussum afkomstige Wil Hamers voltooide in 1932 de Zeevaartschool op Texel. Ondanks een zware crisis in de scheepvaart wist hij een baan te bemachtigen bij de Stoomvaart-Maatschappij Nederland. Hij voer op zijn eerste reis naar Batavia in Nederlands-Indië. Daar stapte hij over op een boot naar New-York en vandaar ging hij weer terug naar Nederland. In 1935 haalde hij zijn derde rang waarmee hij in 1937 als vierde stuurman bij de Koninklijke Pakket Maatschappij (KPM) aan de slag kon. De KPM verzorgde de interinsulaire diensten in Nederlands-Indië. In 1938 kreeg hij een oproep om zich in Soerabaja te melden voor militaire dienst. Zijn dienstplicht vervulde hij als reserveofficier bij de Marine Luchtvaart Dienst (MLD). Hij werd opgeleid tot waarnemer op een vliegtuig. Vanwege het uitbreken van de oorlog in Nederland (mei 1940) en de Nederlandse oorlogsverklaring tegen Japan (december 1941) kwam aan zijn diensttijd geen einde.

Na de Slag in de Javazee en de capitulatie van het Koninklijke Nederlands Indisch Leger (KNIL) in maart 1942 weken Hamers en zijn collega’s met een aantal Catalina vliegboten uit naar Ceylon (Sri Lanka). Van hieruit maakten ze talloze verkennings- en patrouillevluchten. Hamers maakte vele vlieguren, voornamelijk op de Catalina Y-56. In september 1942 ontving hij zijn eerste vliegerkruis (voor 320 uur oorlogsvluchten boven Nederlands-Indië) en in augustus 1944 zijn tweede Vliegerkruis (voor 855 uur operationele vluchten vanuit Ceylon).

NEFIS-III
In de loop van 1944 werd Hamers overgeplaatst naar een detachement van de MLD in Australië dat vloog voor Sectie-III van de militaire inlichtingendienst, de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS). De oorspronkelijke naam was Marine- en Leger Inlichtingendienst. Omdat het gebruik van deze naam in de contacten met de andere geallieerde diensten onhandig was, stond de dienst informeel bekend als de NEFIS. Deze geheime dienst bestond aanvankelijk uit twee secties: Sectie-I (NEFIS-I), voor het  vergaren van inlichtingen betreffende Nederlands-Indië die voor de oorlogsvoering van belang waren, en Sectie-II (NEFIS-II), die zich bezighield met de veiligheid van de Nederlandse troepen in Australië. De samenwerking met de geallieerde inlichtingendiensten verliep in het begin moeizaam. De Nederlandse dienst had bijzonder weinig inlichtingen om te delen. Net als in Nederland kon de regering in Nederlands-Indië niet beschikken over een stay-behind netwerk omdat hiervoor geen maatregelen waren genomen voor het uitbreken van de oorlog. Alles moest van de grond af aan worden opgebouwd. In april 1943 werd de NEFIS gereorganiseerd. Naast de twee bestaande secties kwam er nog een sectie bij: Sectie-III (NEFIS-III) voor speciale operaties en speciale inlichtingen. NEFIS werd voortaan ook als formele naam gehanteerd.

Enkele bij de NEFIS gedetacheerde commando’s van het Korps Insulinde op patrouille in de omgeving van Merauke, Nieuw-Guinea, 1944. (Bron: NIMH)

Hamers was opgevallen, omdat hij “zo verrekte veel operationeel gevlogen” had boven de zuidwestelijke Stille Oceaan. “Ik kwam in Sydney terecht waar we met twee Catalina’s – één amfibisch en één gewoon – geheime opdrachten uitvoerden.” Aanvankelijk zette NEFIS-III geheime agenten in de Indische Archipel af met onderzeeboten. “Nou die lui hadden nog nauwelijks hun poten aan wal gezet op Java of ergens anders of ze werden al door de bevolking verraden aan de Japanners. Er zijn er meer dan honderd, honderdtwintig bij elkaar, van die vrijwilligers gesneuveld”, aldus Hamers. De NEFIS had de situatie in Nederlands-Indië totaal verkeerd ingeschat. De Japanners zetten in hoog tempo een groot spionagenetwerk op en maakten gebruik van het oplevende nationalisme onder de Indonesische bevolking die in veel gevallen met de Japanners meewerkte. De kans op verraad was zeer groot. De Japanners hadden weinig scrupules met leden van party’s die ze arresteerden. Die werden vrijwel zeker gemarteld en gedood.

Een aantal belangrijke officieren die betrokken waren bij intelligence-operaties in de Indonesische Archipel: (v.l.n.r.) luitenant-kolonel Simon Spoor (hoofd NEFIS-I), de Amerikaanse brigadegeneraal Charles Willoughby (hoofd van de sectie inlichtingen 'G2' van de generale staf van generaal Douglas MacArthur), generaal-majoor Nico van Straten (chef-staf van het KNIL) en luitenant-ter-zee Jacob Douw van der Krap (hoofd NEFIS-II). (Bron: NIMH)

In Cairns in Australië had NEFIS-III een speciaal opleidingscentrum voor Nederlandse en inheemse  geheime agenten. Toen Hamers voor NEFIS-III ging werken, was kapitein Vic de Bruyn (alias ‘Jungle Pimpernel’) het hoofd van dit trainingscentrum. De Bruyn was in 1939 als bestuursambtenaar in Nieuw-Guinea terecht gekomen. Toen de Japanners kwamen, trok hij het binnenland in waar hij zich schuilhield onder de Berg-Papoea’s bij de Wisselmeren. Van daaruit voorzag hij de geallieerden van waardevolle inlichtingen. In juli 1944 had de NEFIS een Catalina naar de Wisselmeren gestuurd om hem op te halen om hoofd van de opleidingsschool te worden. Hamers haalde de agenten op in Cairns en vloog ze naar hun plek van bestemming. “Wij zetten ze af. We vlogen dus tot op de kust en dan hielpen we ze in een rubberboot met hun uitrusting. En daar gingen ze.” Hamers hield vervolgens nog even radiocontact totdat hij zeker wist dat de party veilig het binnenland had bereikt. Daarna vloog hij terug naar zijn vliegbasis om de geheime agenten een maand later weer op te halen. Als zij tenminste nog leefden.

1 / 2 Vic de Bruijn met zijn militieleden en berg-papoea’s, Nieuw-Guinea, 1943. (Bron: Australian War Memorial)
2 / 2 Een zeemijnen leggende Catalina vliegboot van de Royal Australian Air Force in Cairns, 1944. Door dit soort vliegtuigen zeemijnen te laten leggen, wisten de geallieerden op een bepaald moment alle belangrijke havens af te sluiten die de Japanners in de zuidwestelijke Stille Oceaan in handen hadden. (Bron: Australian War Memorial)

Party Apple
In verband met het plan van generaal Douglas MacArthur, de opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten in de zuidwestelijke Stille Oceaan, om in mei 1945 op Tarakan te landen, liet NEFIS-III op 13 januari 1945 een party van acht man op de kust van Borneo aan land zetten, op een locatie zo’n 90 kilometer ten zuiden van Tarakan. Party Apple, zoals de codenaam  van deze inlichtingengroep luidde, diende bij de lokale bevolking informatie in te winnen over het door de Japanners zwaar versterkte Tarakan. Vooral het vinden van een geschikte plek om een grootscheepse landing uit te voeren, was belangrijk. Aan het hoofd van Party Apple, die bestond uit vier Nederlandse en vier inheemse militairen, stond de jonge beroepsofficier luitenant Oscar Drijber. Die had in mei 1940 tegen de Duitsers gevochten. Na de capitulatie weigerde hij de erewoordverklaring te tekenen waarna de Duitsers hem in krijgsgevangenschap hadden afgevoerd. In september 1941 had hij uit het Offizierslager IV-C (Colditz) weten te ontsnappen. Via Zwitserland bereikte hij Engeland waar hij een commandotraining kreeg. Daarna was hij naar Australië gevlogen om voor NEFIS-III te werken.

Hamers vond het maar vreemd dat Drijber de leiding over Party Apple kreeg. “Die speciale party […] dat was een Nederlander die was opgeleid indertijd voor officier in Breda. Die was nog nooit in Indië of zoiets geweest. Hij sprak Nederlands en Engels, Maleis nauwelijks zal ik maar zeggen… die heeft zich gewoon gemeld als vrijwilliger – het waren allemaal vrijwilligers die jongens – en die kwamen dan overal ergens vandaan, wat helemaal niet wilde zeggen dat ze iets afwisten van lokale kennis of iets dergelijks.”

Volgens Hamers waren het geen bange jongens. “Dat waren eigenlijk verrekte flinke lui, natuurlijk hè. Want op een gegeven moment drukte je ze de hand en gingen ze met een rubberbootje door de kleine golfjes het strand op en dan verdwenen ze de bossen in. En dan hoopte je dat het allemaal maar goed ging. Dan maakten ze daar een radiostation, zelf, en probeerden ze contact te zoeken met de bevolking […].”

Foto: Eerste luitenant KNIL Oscar Drijber, Cairns (Australië) tijdens de Tweede Wereldoorlog. (Bron: NIMH)

De oorspronkelijke locatie om Party Apple aan land te zetten, bleek bij de voorverkenning op 12 januari 1945 niet geschikt te zijn. Drijber liet zich de volgende dag twintig kilometer noordelijker afzetten bij een verlaten kampong. “Vanuit Cairns kwam dat hele groepje bij ons aan boord, en hun materiaal, twee rubberboten met al dat soort dingen.” Op het strand pakte de party de uitrusting uit. De voorraden waren verpakt in dichtgelaste petroleumblikken, die moeilijk open waren te krijgen. Volgens Hamers moesten ze die blikken openen met behulp van een handgranaat. Het KNIL gebruikte deze blikken als ze op patrouille gingen. Als dragers gebruikte het KNIL zogenoemde ‘kettingberen’, veroordeelde gevangenen die dwangarbeid moesten verrichten.

“En diezelfde soort uitrusting gaven ze dan mee aan die spionnenparty’s, maar die hadden helemaal die dragers niet. Dus die moesten alles zelf doen. Dus wat deden die lui. Het eerste wat ze deden was die bevoorradingsblikken, waar nergens iets opstond wat er in zat, begroeven ze ergens om van dat gesjouw af te zijn. En als ze dan zo’n blik openmaakten dan kwam er zeeppoeder uit of zoiets, in plaats van iets te eten of zo, omdat er niks opstond.”

Drijber – die bekend stond om zijn onomwonden uitspraken – was zeer ontstemd over de uitrusting. Later schreef hij in zijn verslag: ‘Niets klopt, alles is op de meest onlogische manier verpakt. Zeep bij de biscuits, heerlijk! … Wie heeft in godsnaam die blikken ingepakt? Het kon eenvoudig niet stommer, Wein, Weib un Gesang in Camp Columbia [barakkenkamp in het Australische Brisbane waar vanaf juni 1944 alle Nederlands-Indische instanties, inclusief de NEFIS, waren gehuisvest] dus geen common sense.’ Hamers herinnerde zich dat Drijber “een paar zeer onvriendelijke opmerkingen” tegen de leiding had gemaakt over het feit “dat hij het toch wel jammer vond dat hij alleen zeeppoeder had aangetroffen. En toen kreeg hij nog op z’n donder ook!”

Vier leden van een KNIL-brigade die op patrouille zijn in een buitengewest. Op de bivakplaats bewaken ze de algemene bagage, petroleumblikken met voorraden die de kettingberen elk twee aan een draagstok mee torsen. De rest zoekt in de buurt boompjes en stammetjes voor bivakbouw, ca. 1930. (Bron: NIMH)

Vanuit het landingspunt op het strand van Borneo nam Drijber contact op met het hoofd van een nabij gelegen kampong die wel bewoond was. Daar verbleven van Celebes afkomstige Boeginezen. Drijber had al snel door dat die niet mee zouden werken. Ook op hulp van andere lokale bewoners viel niet te rekenen. Op 24 januari 1945, elf dagen na de landing, haalde Hamers Party Apple weer op. De party had enige informatie bij elkaar gesprokkeld, onder meer over de sterkte van het Japanse garnizoen op Tarakan. Voor Hamers was het altijd een waar genoegen “dat je die lui er levend uit kon halen”. Met een rubberboot en een fles koud bier voer zijn sergeant-vlieger naar de wal om de leden van de party op te halen. “Die kwamen helemaal in een goede stemming – ik wil niet zeggen van die ene fles bier, maar… – het idee alleen al helemaal. Toen hebben we die lui weer teruggebracht naar Morotai.”

Daar moesten ze zich melden bij de Amerikaanse major general St. Clair Streett, bevelhebber van 13th Air Force (die tegen het einde van de oorlog vanaf vliegvelden op meer dan 40 afgelegen eilanden had geopereerd en zo de bijnaam ‘The Jungle Air Force’ had verdiend), die destijds op het Noord-Molukse eiland Morotai zijn hoofdkwartier had. “Allerlei inlichtingenmensen werden op die lui losgelaten daar.” Hamers vertelt over een van de Indonesische militair van Party Apple die aan malaria leed. “En toen ze daar dus op Morotai uit het vliegtuig waren gestapt, was hij ergens in elkaar gezakt. En vlak aan het strand lag hij daar. En toen daar dus die bespreking was, werd hij dus als gevangene binnen gebracht, want ze dachten dat het een Japanner was die daar dus aan de wal was gezwommen om verkenningen te doen, want dat Morotai was nog voor de helft met Japanners bezet.”

Het keerpunt
Hamers vond zijn tijd bij de NEFIS-III (1944-begin 1945) achteraf gezien de meest interessante periode van de hele oorlog. Door zijn bijdrage aan de geheime operaties van NEFIS-III voorzag hij het keerpunt in de oorlog:

“Er is iets dat je het idee geeft: het duurt niet zo lang meer. Nou dat is ook wel gebleken.”

Op 1 mei 1945 landde namelijk een geallieerde strijdmacht op Tarakan, bestaande uit de Australische 26th Infantry Brigade en een compagnie (2 Inf I) van het KNIL. Het belangrijkste doel was het veiligstellen van het vliegveld op het eiland voor toekomstige operaties in de Indische Archipel. Voor Nederland was dit een bijzondere dag: voor het eerst sinds de capitulatie in maart 1942 nam een organieke KNIL-eenheid deel aan een geallieerde operatie. Hoewel het nog enige maanden zou duren voordat Japan definitief zou capituleren, leken de kansen voor de geallieerden inderdaad gekeerd.

Interview luisteren?
Het interview met Wil Hamers is hier terug te luisteren.

75 jaar vrijheid

Dit artikel is onderdeel van het thema ’75 jaar vrijheid’. Kijk voor meer artikelen en verhalen van veteranen op de themapagina.

Lees meer