1 september 2015
Home Verhalen van veteranen ‘Op een marinier kun je rekenen’

‘Op een marinier kun je rekenen’

Vraag een oude Rotterdammer naar het Korps Mariniers en zijn ogen beginnen te glimmen. De trots die hij voelde als jochie, als de mariniers achter hun eigen tamboers en pijpers aan door de stad marcheerden. Rekruten van de marinierskazerne hielden in mei 1940 ‘thuis’ stand tegen een overmacht van Duitsers op de Maasbruggen. Maar mariniers zijn door de jaren heen overál ingezet. Qua Patet Orbis.

Voor de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen gingen interviewers van het Veteraneninstituut bij veel mariniers langs om hun verhaal op te nemen. Kolonel der Mariniers b.d. Simon Hameete gaf onze interviewer na het gesprek wat aanwijzingen bij het keren van haar Nissan naast zijn huis, en toen ze klaar stond om de file in te rijden, tikte hij op het autoraampje. Tot haar verrassing kreeg ze een appel en een reep chocola toegestoken. “Vijf uur,” zei Hameete met een blik op zijn horloge.

Een marinier stuurt niemand op pad zonder mondvoorraad.

Het was niet de eerste keer dat ze zoiets aardigs meemaakte, en opvallend vaak gebeurde het bij mariniers. Het Korps staat natuurlijk bekend als: zelfvoorzienend, gedrilld, oplettend, scherp. Maar die bijzondere zorgzaamheid voor elkaar én de omgeving is ook kenmerkend. Een geweergroep die in de middle of nowhere onverwacht een hoge diplomaat ingevlogen krijgt, weet in no time (én met humor!) uit de resterende rantsoenen een driegangendiner op een inderhaast getimmerd tafeltje te toveren. Dát zijn mariniers. Ze maken er wat van, waar ook ter wereld en hoe beroerd ook de omstandigheden.

Saté babi voor de bemanning van de Evertsen

Dat schept natuurlijk verwachtingen. Toen de Evertsen met Kerst 1961 zou langskomen bij de mariniers die gelegerd lagen op Waigeo, een dichtbegroeide uithoek van Nieuw Guinea, kwam er een telegram vooruit van de bemanning, die bij de gelegenheid graag saté babi wilde. Tweede luitenant Rooseboom zei indertijd tegen zijn collega’s: “Daar heb je de vloot weer. Die denken dat mariniers zeggen: ‘varkens aantreden!’ en het in orde is.”

Maar natuurlijk besloot Rooseboom toch met enkele vrijwilligers op varkensjacht te gaan. “We zouden vanaf de rand van het schiereiland drie uur lopen, dan 90 graden bakboord gaan, dan na drie uur weer 90 graden bakboord, en dan zou je aan de kust weer uit moeten komen. Maar na een aantal uren in dicht begroeid, zwaar terrein bleken we in een kringetje te hebben lopen. We kwamen op een plek die we eerder hadden gezien op deze tocht.” Een hachelijke situatie.

Ze waren met zeven man. Vier hele dagen dwaalden de mariniers op een rantsoen voor één dag door het ondoordringbare gebied, zich uiteindelijk oriënterend op een stroompje dat hen bij een moeras bracht waar ze ook niet verder konden. Ze sliepen met zijn zevenen op twee poncho’s in de regen. “Verdomde koud” herinnert Rooseboom zich. “Aan het eind van de derde dag hadden we net een vuurtje gemaakt en hoorden we ineens een vliegtuig. Ik probeerde ernaar te zwaaien vanaf een tjot, maar de Neptune vloog door. Toen ik terugkwam bij de jongens, hadden ze op me gewacht om met zijn allen de laatste twee shagjes van het rantsoen op te roken.” De vierde dag kwamen ze eindelijk terug en meldden ze zich – zonder varkensvlees – bij de luitenant-pelotonscommandant. Rooseboom was blij dat ze het er allemaal levend van af hadden gebracht. “Jaren later hoorde ik van mijn tante die bevriend was met een geoloog die Nieuw-Guinea goed kende, dat de bodem van Waigeo vol zit met ijzer. Daar werkt geen enkel kompas, zei die geoloog: ‘Logisch!’. Maar bij het Korps hoef ik daar natuurlijk niet mee aan te komen, hè. Dat is aflullen.”

Samen plassen in de kou

Oud-marinier Nico de Fijter vertelde in zijn interview over het intensieve buddy-contact waarin hij als marinier is opgeleid. “Op oefening in Noorwegen is het zó koud, dan heb je helemaal geen dorst. Dan plas je samen met je buddy, zodat je de kleur van elkaars urine kunt controleren: drinkt hij wel genoeg?”

Als zijn tenen dreigen te bevriezen, warm je die op onder jouw oksel.

“En het is natuurlijk hartstikke leuk te oefenen met wakskiën, dan staat er zo’n mooie verwarmde NAVO-tent klaar als je met behulp van je poles uit het ijskoude water bent gekomen. Maar op een dag staat die tent er niet meer. Dan moet je kunnen vertrouwen op je buddy, en hij op jou.”

Nico vormde op uitzending in Cambodja samen met zijn buddy een Carl-Gustavteam. “Hem noemden ze Karel, mij Gustaaf,” lachte hij. Nog altijd komt hij mariniers tegen uit zijn tijd bij het Korps. “Vaak zie ik het al aan het duikhorloge. Mijn buddy uit Cambodja had ik negen jaar niet gezien, toen ik hem zag op de Vlootdagen. Ik tikte hem op zijn schouder en zei: ‘Karel!’ En hij zei, nog vóór hij omkeek: ‘hee, Gustaaf!’ Dat is fantástisch.”

Dat is ons buddysysteem, dat maak je nergens anders mee.

In konvooien van twintig of dertig trucks werden in Cambodja begin jaren negentig de vluchtelingen vanuit hun tijdelijke kampen teruggebracht naar hun dorpen, of de plek waar die dorpen ooit gelegen hadden. Want veel was er vaak niet meer van over. Mario van der Linden en zijn geweergroep moesten onderweg zorgen voor de beveiliging van de lange rij trucks en een keer per week moesten ze een trein met repatriërende vluchtelingen begeleiden. Geen sinecure, in een land waarin de partijen zich weliswaar aan de getekende verdragen moesten houden, maar waar het on the ground nog wemelde van de gewapende milities.

Van der Linden en zijn collega’s waren soms een hele dag onderweg om met de vluchtelingen een afstand van 60 kilometer af te leggen. “Soms werd de middelste truck van het konvooi eruit gepikt en aangevallen, daar moesten we iets op bedenken.” De hoeveelheid mensen die vervoerd moest worden was zó groot, als er onderweg iets gebeurde waren ze vrijwel zeker te laat. Maar hier schoot hun talent voor improviseren de mariniers te hulp: “We gaven de chauffeurs allemaal een flinke zak rijst. We instrueerden hen die bij een aanval onmiddellijk uit het raam te gooien. De schaarste van voedsel was in Cambodja zo groot, dat alle aandacht van de overvallers op dat moment naar die rijst ging en dan konden we gauw met het hele konvooi door.” Dat werkte.

Veel te weinig Nederlanders weten dat dankzij ‘onze’ mariniers verkiezingen konden worden gehouden na jarenlange burgeroorlog in Cambodja, dat de strijdende partijen ontwapend werd, begonnen werd met het mijnenvrij maken van het land en er weer een begin gemaakt werd met het opzetten van een functionerend overheidsapparaat.

We kunnen uren luisteren naar de mooie verhalen van mariniers. Wat zijn we blij dat zovelen van u die mooie, maar vaak ook spannende herinneringen hebben willen delen via de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen. Het Veteraneninstituut feliciteert het Korps Mariniers van harte met zijn 350ste verjaardag en alles wat u voor burgers – waar ook ter wereld– als professioneel opererende eenheid heeft mogen betekenen. Ook feliciteren wij het Contact Oud- en actief dienende Mariniers met zijn 65-jarig bestaan. Dat er maar veel succesvolle interventies en mooie kameraadschappen mogen volgen!