6 augustus 2020
Home Verhalen van veteranen Ooggetuigen van de atoombom op Nagasaki

Ooggetuigen van de atoombom op Nagasaki

Dick Buchel van Steenbergen (1920-2019) en Paul Couvret (1922-2013) overleefden op 9 augustus 1945 de ontploffing van de atoombom in Nagasaki.

Foto header: NIOD

Dick Buchel van Steenbergen (1920-2019) en Paul Couvret (1922-2013), beiden geboren in Nederlands-Indië, maakten de Tweede Wereldoorlog in Azië mee. De verhalen van deze twee veteranen tonen veel overeenkomsten. Beide veteranen overleefden op 9 augustus 1945 de ontploffing van de atoombom in Nagasaki.

Dick Buchel van Steenbergen
Dick Buchel van Steenbergen werd geboren op 17 juni 1920 in Indramajoe (West-Java). Omdat zijn vader van Nederlandse afkomst was, werd hij als Indische jongen in 1939 opgeroepen voor de dienstplicht. Hij kwam bij de mobiele artillerie van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch leger (KNIL) terecht, waar hij verantwoordelijk werd voor de verzorging van de paarden en andere dieren. “Ik had nooit iets met paarden te maken gehad”, vertelt Buchel van Steenbergen. Toen de oorlog in Europa uitbrak, ging hij na advies van zijn vader over in beroepsdienst. Hij werd ingedeeld bij de luchtdoelartillerie, een relatief nieuw onderdeel van het KNIL. Later maakte hij de overstap naar de Militaire Luchtvaart van het KNIL (ML-KNIL) waar hij aan een opleiding tot vlieger begon. Hij bleek hiervoor echter ongeschikt en werd vervolgens opgeleid tot luchtfotograaf. Na het uitbreken van de oorlog met Japan op 8 december 1941 voerde hij verschillende luchtverkenningen uit.

Op 8 maart 1942 capituleerde het KNIL op Java. Om krijgsgevangenschap te ontlopen dook Buchel van Steenbergen bij zijn ouders in Bandoeng onder. Na het Japanse dreigement om ouders van ondergedoken KNIL-militairen te doden als zij zich niet vrijwillig zouden aangeven, meldde hij zich alsnog bij de Japanners. Hij verbleef twee maanden in een krijgsgevangenkamp in Bandoeng, waarna de Japanners hem naar een kamp in het nabij gelegen Tjimahi brachten. Na drie maanden transporteerden de Japanners hem naar de havenstad Soerabaja (Oost-Java) waar ze hem op een schip zetten.

“We werden er gewoon ingepropt. Daar lag je dan met een paar duizend man. Wat gaat er gebeuren? Waar gaan we naartoe. Dat was de vraag.”

Het schip voer naar Singapore, waar de Japanners de groep in tweeën splitsten. De ene lichting ging naar Birma en de andere naar Japan. Buchel van Steenbergen had gehoord dat Birma een verschrikkelijke bestemming was. Dus hij was opgelucht toen hij hoorde dat hij naar Japan ging.

De krijgsgevangenen moesten werken op de scheepswerven van Mitsubishi in Nagasaki. Buchel van Steenbergen werd geplaatst in kamp Fukuoka-14. Dit kamp lag in de buurt van de scheepswerven. Buchel van Steenbergen vertelt over het werk: “Nou, dat was gevaarlijk werk. Je kende dat niet, je moest klimmen. Tegen de scheepswand op wankele planken die ze daar neergelegd hadden. De kans op een ongeluk was altijd groot.” Buchel van Steenbergen vervolgt zijn verhaal, “Er was geen opleiding. We werden voor de leeuwen geworpen. Met gebaren lieten ze het weten en verder moest je het uitzoeken.” De leef- en werkomstandigheden op de scheepswerf waren verschrikkelijk: slechte kleding, voeding, huisvesting en strenge straffen. Buchel van Steenbergen kreeg last van dysenterie en werd in de ziekenboeg opgenomen. Hij kreeg geen medicatie, maar wel opium om de pijn te verzachten.

“Daar lag je dan met al die ellende om je heen, stervenden zelfs. Ik was nog niet klaar om dood te gaan, ik wilde naar huis.”

Hij had in zijn jeugd een methode geleerd om snel op te knappen: hij perste gekookte rijst van zijn rantsoen door een zakdoek en dronk de dikke vloeibare massa op, dit hielp hem met zijn herstel.

Nederlandse krijgsgevangenen aan het werk op een scheepswerf in Nagasaki, 1943. (Bron: Australian War Memorial)

Paul Couvret
Paul Couvret werd geboren op 5 juni 1922 in Batavia. Zijn ouders waren vanuit Nederland naar Nederlands-Indië gekomen met het idee om daar een vermogen te gaan opbouwen. De grote economische depressie in 1933 gooide echter roet in het eten. Na de hbs ging Couvret naar de kweekschool om onderwijzer te worden. Hij zou in december 1941 eindexamen doen, maar dat gebeurde niet omdat in Nederlands-Indië de oorlog tegen Japan uitbrak. “Een week later zat ik in uniform. En alle achttien jaar oude jongens werden gemobiliseerd. En ook alle mannen die niet nodig waren in zaken die werden allemaal gemobiliseerd om het leger te versterken.” Couvret werd met al zijn klasgenoten op de trein gezet naar Bandoeng waar een grote kazerne was. “Ze waren totaal onvoorbereid voor deze mobilisatie”, aldus Couvret. Ze sliepen op strozakken, hun uniformen waren te groot en ze moesten marcheren met houten geweren.

Toen hij een advertentie van de marine las, waarin werd gevraagd om vrijwilligers die vlieger wilde worden bij de Marine Luchtvaartdienst, meldde hij zich direct. In de Goebeng kazerne, een marinierskazerne in Soerabaja, volgde hij gedurende twee maanden een militaire basistraining. Op 15 februari 1942 werd hij goedgekeurd als aspirant vliegerofficier. Zijn opleiding zou in maart 1942 beginnen. “[In maart] was het al duidelijk dat Java zou vallen, want die Japanners hadden een landingsvloot. Ze waren al geland op een gedeelte van Java en Zuid-Sumatra. Onze vliegschool was de lucht uitgeschoten. Alle lesvliegtuigen werden plotseling verrast door zero Japanese fighters.” De marineleiding besloot om het personeel van de vliegschool met vliegboten – Catalina’s en Dorniers –naar Australië over te brengen. “Op het laatste moment werden die vliegtuigen overgenomen door hoge officieren van de Nederlandse marine en (…) hoewel de orders waren alleen fighting personeel en geen burgers, geen vrouwen en geen kinderen, hebben ze toch die vliegtuigen volgestopt met vrouwen en kinderen. En die vlogen toen naar Broome.” Onderweg werden die vliegtuigen door Japanse Zero jachtvliegtuigen in brand geschoten waarbij een hoop vliegers, vrouwen en kinderen zijn omgekomen.

De aspirant vliegerofficieren en de leerling-vliegers werden in Soerabaja op een schip gezet dat naar Tjilatjap voer, een havenstad in het zuiden van Java. Het schip ging vervolgens naar Freemantle in Australië, maar werd door de Japanse marine gekaapt. Onder begeleiding van Japanners werd koers gezet naar Makassar op Celebes. Het Japanse marinepersoneel behandelde de Nederlandse krijgsgevangenen goed, maar de bejegening door soldaten van het Japanse leger in Makassar was een ander verhaal.

“Alles moest in looppas gedaan worden en ze [verzonnen] allerlei mogelijke redenen om je met de kolf van een geweer in je rib te slaan.”

Ze werden met zestig man in een celruimte voor twintig personen gepropt. Ze maakten een rooster, zodat ze beurtelings konden slapen op een van de twintig houten slaapbanken. “Het was nooit rustig, er was altijd lawaai. En we hadden praktisch niets te eten. We kregen een scheepsbeschuit per dag.” Later werd hij naar een groter kamp in Makassar overgeplaatst. Couvret had het geluk om aan wat extra eten te komen tijdens de opruimwerkzaamheden in de haven van Makassar. Hij vond daar conservenblikken bij ingestorte loodsen. Aan vluchten dacht Couvret nooit, want dat werd enorm hard bestraft door de Japanners. Drie krijgsgevangen die waren ontsnapt en later weer opgepakt, werden voor de ogen van alle gevangenen in het kamp onthoofd. In september 1942 werd hij op transport gezet naar Japan waar hij te werk werd gesteld op de scheepswerven van Mitsubishi in Nagasaki.

Atoombom
In de tweede helft van 1945 werd het steeds duidelijker dat Japan de oorlog zou verliezen. Op 6 augustus 1945 gooiden de Amerikanen een eerste atoombom (Little Boy) op Hiroshima. Buchel van Steenbergen vermoedde dat er iets verschrikkelijks was gebeurd, maar wist niet precies wat. Op 9 augustus was Buchel van Steenbergen aan het werk om de scheepswerf op te knappen, die beschadigd was door luchtbombardementen. Na het eerste luchtalarm waren ze weer aan het werk gegaan. Toen klonk een tweede luchtalarm. “In tweede instantie stoof iedereen weg. Sommigen bleven kijken en anderen zochten een schuilplaats op het terrein.” Buchel van Steenbergen rende een nabijgelegen gebouw in. “Ik ben die fabriek ingelopen. Daar ben ik over mijn eigen benen gestruikeld. Ik zag die flits nog, heel helder, net als een flitsapparaat van een fototoestel, alleen dan sterker natuurlijk. En toen ben ik schijnbaar een beetje buiten bewustzijn geraakt om een of andere reden, want verder heb ik niets meer gehoord.” Toen hij bijkwam, merkte hij dat de hele fabriek was ingestort. Hij lag onder een vak van een dakconstructie. Dat had zijn leven gered. Hij wist uit de fabriek te komen. Buiten was het donker.

“Ik kwam in een geheel verduisterende wereld terecht, je zag niks. Het leek wel nacht. Later, toen het wat helderder was, zag je dat alles plat was en dat er geen stad meer was.”

Nagasaki na de aanval met de atoombom, met zicht op de Mitsubish Armament and Steel Works. (Bron: Imperial War Museum)

Ook Couvret merkte dat de Japanners onrustig werden. Op 9 augustus gingen alle alarmbellen af. Samen met vijftig anderen probeerde Couvret vanaf de bodem van het dok, waar hij aan het werk was, via lange ladders naar een schuilplaats te vluchten. Eenmaal in de bunker probeerden de Japanners te voorkomen dat ze zagen wat er gaande was. Ze verzonnen smoesjes om naar het toilet te kunnen om te kijken wat er buiten gebeurde. Desondanks hadden Couvret en de andere gevangen geen enkel idee wat er op 9 augustus aan de hand was. De Japanners lieten wel de teugels vieren;  gevangenen mochten het kamp in en uit als ze dat wilden. Veel krijgsgevangenen gingen naar Nagasaki om naar voedsel te zoeken. Couvret niet, want die lag met beriberi  in de ziekenbarak. Twee maten van Couvret gingen op zoek naar voedsel in Nagasaki. Volgens Couvret zijn ze twintig jaar later aan de gevolgen van straling overleden.

In de dagen na de ontploffing van de atoombom bleef veel onduidelijk. Bij elke Amerikaanse verkenningsvlucht, vluchtten de krijgsgevangenen en de Japanners uit angst voor nieuwe bombardementen de schuilkelders in. Op 15 augustus 1945 hoorde Couvret van de Japanse capitulatie, maar pas op 28 augustus kreeg hij te horen dat de Amerikanen op 9 augustus een atoombom (Fat Boy) boven Nagasaki tot ontploffing hadden gebracht. De vreselijke herinneringen aan deze tijd zijn Couvret altijd bijgebleven. Uiteindelijk kwamen de Amerikanen op 11 september 1945 in Nagasaki aan en werd Couvret officieel bevrijd uit kamp Fukuoka-2. De Amerikanen brachten hem naar Manilla (Filipijnen) om daar in een van de Amerikaanse kampen aan te sterken. Met behulp van het Rode Kruis kwam hij erachter dat zijn zus de oorlog had overleefd, maar dat zijn ouders in het kamp waren overleden. “Dit was het ergste nieuws dat ik na al die jaren te horen kreeg.”

Het 62nd Replacement Depot, een herstellingskamp voor Nederlandse krijgsgevangenen te Manilla (Filipijnen) in 1945. (Bron: NIMH)

Dat lot was Buchel van Steenbergen bespaard gebleven. Na tal van omzwervingen, via Balikpapan en Australië, kwam hij terug bij zijn ouders in Bandoeng. Buchel van Steenbergen werd daarna als militair ingezet tijdens de dekolonisatieoorlog in Nederlands-Indië. In 1950 vertrok hij naar Nederland waar hij tot zijn leeftijdsontslag in 1968 in dienst bij de krijgsmacht bleef. Hij keerde twee keer terug naar Nagasaki. Over de atoombom had hij een duidelijke mening: “Ik vind het verschrikkelijk, maar het is goed dat hij gevallen is, anders had ik het niet overleefd.”

75 jaar vrijheid

Dit artikel is onderdeel van het thema ’75 jaar vrijheid’. Kijk voor meer artikelen en verhalen van veteranen op de themapagina.

Lees meer