4 augustus 2020
Home Verhalen van veteranen Ooggetuige van de atoombom op Nagasaki

Ooggetuige van de atoombom op Nagasaki

Veteraan Henk Kleijn zag als krijgsgevangene hoe de stad werd weggevaagd.

Als Japanse krijgsgevangene was Henk Kleijn (1924) ooggetuige van de atoombom op 9 augustus 1945 op Nagasaki. Op zes kilometer afstand vanaf de Japanse scheepswerf waar hij was tewerkgesteld, zag hij hoe de stad werd weggevaagd.

‘In verband met de oorlogsdreiging van Japan ben ik bij de marine gegaan. Wij jongemannen dachten daadwerkelijk nog dat wij eenmaal bij de marine Nederland zouden bevrijden van de Duitse bezetter. Ik was bijna 17 en meldde me in augustus 1941 vrijwillig aan. Ik vond het geweldig om een uniform aan te hebben en kwam als stoker te werken op de Hr. Ms. Soerabaja. In het ketelruim moest ik er bijvoorbeeld voor zorgen dat de stoomdruk hoog genoeg bleef. De Soerabaja werd getroffen bij een Japanse aanval. Er kwam een bom in de machinekamer terecht en ik maakte zodoende geen deel uit van het eskader dat op 27 februari 1942, onder leiding van schout-bij-nacht Karel Doorman, vertrok voor de slag in de Javazee. Bovendien was ik nog te jong om mee te gaan, want ik zat nog in de opleiding. In het jaar voor mij zaten vrienden die al wel mee moesten en de slag niet hebben overleefd.

Ik kreeg de opdracht om de trossen los te gooien van de kruiser Hr. Ms. De Ruyter in de haven van Soerabaja. Hoe de stemming was? Ik denk niet dat ze hoopvol waren.’

‘Er hing een bedrukte sfeer en het was meer afscheid nemen dan uitzwaaien. Het fluitje van de bootsman vergeet ik nooit meer en ook de trompet van de mariniers komt soms nog in een flits in mijn gedachten voorbij.’

‘En nog zie ik het hijsen en neerhalen van de seinvlaggen. Daar gingen ze, de zeeslag tegemoet. En we weten nu allemaal hoe tragisch het is afgelopen. Vrienden die ik kende van de ambachtsschool, jongens van het St. Vincentius-gesticht. Ik heb ze nooit meer teruggezien. Wat mij weleens stoort, is dat er bij herdenking vooral aandacht wordt geschonken aan de Nederlandse marinemensen die de slag niet overleefden. Er zijn alleen ook veel inheemsen omgekomen. De hutbedienden van de officieren, degenen die de was deden en het eten verzorgden.’

Ellende
‘Na het verlies door de geallieerden van de Slag in de Javazee, veroverden de Japanners in snel tempo heel Azië. Ik moest evacueren vanuit Soerabaja met bestemming Australië. Ons schip, de SS Duymaer van Twist, werd echter ’s morgens vroeg op 4 maart 1942 ontdekt door een Japans verkenningsvliegtuig dat boven ons cirkelde. Vervolgens werden we door hun vloot omsingeld, gevangen gemaakt en afgevoerd naar de gevangenis in Makassar. Daar werden we met te veel mensen in te kleine cellen gestopt.’

‘Het was een en al ellende daar. Het eten was beroerd en ik had geen bestek. Het eten ontving ik in mijn muts. Een aantal gevangenen hadden nog hun gasmaskertrommel, die ze gebruikten als hoofdkussen. Die luxe had ik zelf niet.’

‘Na een half jaar werden ongeveer achthonderd Nederlandse, Engelse en Amerikaanse krijgsgevangenen geselecteerd om naar Japan te gaan. Na tien dagen varen arriveerden we in onze flinterdunne tropenkleding op 23 oktober 1942 in de winterkou in de haven van Nagasaki.’

Stokslagen
‘Vervolgens gingen we in een kleinere landingsboot naar het krijgsgevangenkamp Fukuoka-afdeling 2 op een eiland in de baai van Nagasaki. Eenmaal aan land stonden Japanse bewakers schreeuwend om ons heen en sloegen ons hard met grote stokken. Meestal op je rug. Ik heb er
gelukkig niks aan overgehouden. Dat bleef de hele oorlog aanhouden, overal werd je om het minste of geringste geslagen. Eenmaal op dat eiland was ik me bewust dat ik in het land van de vijand zat.’

‘Ik dacht dat ik er nooit meer weg zou komen. Waar kon je heen, al zou je kunnen ontsnappen? Je wist toen echt dat het ‘over en uit’ was en je wilde gewoon zo lang mogelijk te blijven leven.’

‘Ik wilde graag mijn zussen terugzien. Daar focus je dan op en dan kun je veel doorstaan. In mijn onderbewustzijn had ik een sterke overlevingsdrang.

Onder strenge bewaking werkten we in de dokken op de Kawanami-scheepswerf. Als klinker moest ik ijzeren klinknagels in de scheepswanden slaan. Uiteindelijk saboteerden we de boel waar mogelijk. Op een dag kreeg ik een gloeiende splinter van een klinknagel in mijn linkeroog, waardoor mijn oog een tijd ontstoken was, maar ik moest gewoon doorwerken. In mijn gedachten komen steeds dezelfde griezelige oorlogsbeelden naar boven. Zelf ontkwam ik aan het noodlot toen ik door een gat in de scheepswand kroop, waar een grote staalplaat in zou komen. Nog net op tijd kon ik daar wegkomen, maar mijn maat Peters, die vlak achter mij kwam, verloor door die vallende staalplaat zijn been. Vanwege het langdurige werk op weinig voedsel en door de bittere kou en besmettelijke ziektes, stierven vele jongens. Om te overleven at ik plantaardig scheepsvet en maalde ik visgraten voor extra kalk. Drieënhalf jaar at ik zeewier, voor de nodige vitaminen.’

Atoombom
‘Als het alarm ging, moesten we naar de schuilplaats. Het kwam alleen regelmatig voor dat er dan geen bommen vielen, dus toen op die 9e augustus rond lunchtijd het luchtalarm ging, dacht ik bekijk het maar, ik blijf hier. Ik was bij een scheepsromp aan het werk en voelde opeens de grond schudden en ik zag door het glazen dak een heldere lichtflits. Door de luchtdruk van die bom sprong al het glas uit het dak. De scherven sprongen in het rond.’

'Toen het gerinkel afgelopen was, nam ik een kijkje. Daar zag ik die welbekende ‘paddenstoel’ boven de stad hangen, op slechts zes kilometer afstand van ons kamp. Ook zag ik overal branden in de stad.'

‘Van de verwoesting van Nagasaki heb ik verder niet veel gezien. Mijn maten zijn later nog stiekem gaan kijken en hebben dus onder invloed van de radioactieve straling gestaan. Zelf ging ik niet, het was verboden om het kamp te verlaten en daar hield ik mij aan. Een paar weken later werden wij op een Amerikaans hospitaalschip onderzocht, schoongespoeld en kregen we nieuwe kleding. Daarna volgde een geweldige reis aan boord van een groot Amerikaans vliegdekschip naar Okinawa. We kregen heerlijk eten, sliepen op veldbedden op het vliegdek en zagen mooie verpleegsters.’

Monument
‘Na de oorlog ben ik bij de marine blijven werken en na Soekarno’s onafhankelijkheidsverklaring moesten wij patrouille varen bij de politionele acties. Zo zaten we weer in een oorlog. Op 19 november 1947 arriveerde ik in Nederland. Tot mijn pensioen heb ik bij de marine gezeten en ben in 1975 als adjudant de dienst uitgegaan. Daarna ben ik blijven varen, want met mijn vrouw heb ik veel cruises gemaakt met de Holland-Amerikalijn.

Vijf jaar geleden, in september 2015, ben ik met mijn gezin teruggegaan naar Nagasaki, waar ik een toespraak mocht houden bij de onthulling van het Monument Fukuoka-2. Dat was heel bijzonder. In mijn toespraak benadrukte ik voor de vele Japanse aanwezigen, dat ik erop vertrouw dat zij deze oorlogsgeschiedenis niet vergeten, opdat zij dit alles in hun eigen werk en leven kunnen voorkomen.’

De atoombommen op Hiroshima en Nagasaki

Op 6 augustus 1945 gooiden de Amerikanen de eerste atoombom (Little Man) op de Japanse havenstad Hiroshima. Hierbij kwamen direct 78.000 mensen om het leven en liepen nog een 80.000 andere inwoners ernstige brandwonden op. Het doel van de Amerikanen was het einde van de Tweede Wereldoorlog te bespoedigen. Toen Japan niet capituleerde, volgde op 9 augustus een tweede atoombom (Fat Boy). Aanvankelijk was het doel de stad Kokura, maar door slecht weer week de Amerikaanse luchtmacht uit naar het tweede doelwit op de lijst, de stad Nagasaki. Bij deze aanval vielen 40.000 doden en 25.000 gewonden. Negen slachtoffers waren Nederlandse krijgsgevangenen. Zes dagen later capituleerde Japan, waarmee er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog. Het aantal slachtoffers liep in de daaropvolgende maanden snel op toen veel mensen aan hun verwondingen overleden. Eind 1945 waren er in totaal 140.000 dodelijk slachtoffers te betreuren. In de jaren daarna stierf nog een groot aantal mensen aan stralingsziekte. Het totale aantal doden van de aanval op Hiroshima is geschat op bijna 240.000 en het aantal doden van de aanval op Nagasaki op meer dan 70.000. In de jaren daarna steeg ook het aantal geboorten met afwijkingen en miskramen bij overlevenden.