25 september 2019
Home Verhalen van veteranen Hans Hellendoorn (1918-2019)

Hans Hellendoorn (1918-2019)

Het verhaal.

Hans Hellendoorn (1918-2019) beleefde de Duitse invasie in mei 1940 vanuit een Fokker verkenningsvliegtuig. Hij zat achter de piloot. Als waarnemer bediende hij onder meer de boordmitrailleurs. Angst had hij niet. Hij was vooral verontwaardigd dat onze neutraliteit was geschonden. Na de overgave ging hij in het verzet, eerst als student, later als strijder. Als 100-jarige kijkt hij terug. Het verlies van enkele maten bezorgt hem nog steeds buikpijn. Maar hij is vooral ook trots. Hij heeft zijn rug recht gehouden. Hans Hellendoorn is meerdere keren onderscheiden.

‘Mijn vader was marineofficier. Na de HBS wilde ik daarom graag ook naar de marine. Ik werd afgekeurd vanwege mijn amandelen. Ik kwam uiteindelijk terecht bij de luchtmacht in Soesterberg. Daar volgde ik een waarnemersopleiding. Ik leerde er veel: meteo, navigatie, fotografie, bommen gooien, schieten met boordmitrailleurs. We vlogen in een Fokker verkenningsvliegtuig. Dat waren open kisten.’

‘De dreiging van oorlog werd steeds groter. Ik volgde het nieuws maar een beetje en maakte me geen zorgen. We zouden neutraal blijven. Toch vielen de Duitsers ons land binnen. Ik was toen ingekwartierd in Ruigenhoek, bij Noordwijk. Daar was een vliegveld aangelegd door de Heidemaatschappij. De Duitsers bombardeerden alle vliegvelden, maar onze basis bleef gespaard, dankzij een goede camouflage.’

Vliegers en waarnemers. Luitenant Hellendoorn staat achter de stoel. Foto: privécollectie Hans Hellendoorn.

‘In een formatie van vijf vliegtuigen zijn we meteen opgestegen. We vlogen naar vliegveld Valkenburg. Daar zagen we allemaal Duitse toestellen waaruit militairen kwamen. Omdat we werden beschoten zijn we wat hoger gaan zitten. Maar we wisten dat er Messerschmitts rondvlogen. Die waren veel sneller. Dus al te hoog wilden we ook niet vliegen. Met mijn mitrailleur voor en achter schoot ik op de vliegtuigen aan de grond. Ik heb, geloof ik, ook een paar bommen laten vallen.’

‘Ik voelde geen angst. We waren bedonderd door de Duitsers. We waren pisnijdig en wilden ons verweren. We waren niet sterk, maar wilden er wel tegenaan. Tijdens die eerste vlucht werd ons toestel beschadigd door de Duitse luchtafweer. In de vleugels, die met linnen waren bespannen, zaten meerdere gaten. Ook op de benzinetank waren kogels afgeketst.’

‘In de eerste vijf dagen van de invasie maakten we ongeveer 30 vluchten. Niet altijd konden we de Nederlandse troepen aan de grond helpen. Soms was het te gevaarlijk om in de buurt te komen, soms was de kluwen van strijdende groepen te onoverzichtelijk en besloot ik geen bommen te gooien. Ik wilde onze eigen mensen niet raken.’

‘Bij de Grebbeberg moest één van ons een noodlanding maken tussen de Duitse en Nederlandse linies. De vlieger en de waarnemer zijn achter het toestel gaan liggen, totdat de vlieger het niet meer kon volhouden. Met de handen omhoog liep hij naar de Duitse troepen. Hij werd neergeknald. De waarnemer is achter het vliegtuig blijven liggen en toen het donker werd naar de Nederlandse troepen gekropen.’

Een Fokker CV, waarin Hellendoorn als waarnemer/boordschutter de strijd aan ging.

‘Toen Nederland zich na vijf dagen overgaf, besloten we onze vliegtuigen te vernietigen, zodat ze niet in Duitse handen zouden vallen. Later hoorden we dat dat niet mocht. We hebben onze mitrailleurs leeggeschoten en als chef wapenkamer nam ik twee pistolen en wat munitie mee. Op 18 mei kregen alle detachementen van de luchtmacht van generaal Winkelman de Militaire Willemsorde.’

‘Na de demobilisatie ging ik biochemie studeren in Utrecht. De Duitse bezetter trad steeds strenger op. In september mochten joodse hoogleraren geen college meer geven. Onze professor Koningsberger organiseerde meteen een protestbijeenkomst.  Hij hield een vlammend betoog. Hij zei niet dat we in opstand moesten komen, maar wel dat we ons teweer moesten stellen. Dat vond ik heel mooi. Samen met studiegenoten zijn we toen in actie gekomen. Je moest je agressie kwijt en wilde een daad stellen.’

‘We kalkten anti-Duitse leuzen op straten en muren. WEG MOFFEN en ROT MOFFEN. Heel simpel, heel naïef ook. Op een dag sliep ik bij Jaap, een studiegenoot. Vanwege de avondklok kon ik niet meer naar huis in Bilthoven. Ik mocht zijn slaapkamer gebruiken, hij lag op de bank. Kennelijk had iets of iemand ons verraden. Vroeg in de ochtend kwam Jaap de slaapkamer binnen. Hij gooide een sprei over me heen en zei: ‘Bek houden! Politie!’ Ik lag als een muis zo stil. Ze namen Jaap mee. Later werd hij naar Kamp Vught gestuurd en naar het concentratiekamp Dachau. Gelukkig heeft hij de oorlog overleefd.’

‘Toen de Duitsers alle studenten dwongen een loyaliteitsverklaring te tekenen, weigerde ik dat te doen. Ik kon geen colleges meer volgen. Ik negeerde ook het bevel aan Nederlandse officieren en reserveofficieren om zich te melden. Ze werden naar het krijgsgevangenkamp in Stanislau gestuurd. Vanaf dat moment moest ik extra op mijn hoede zijn.’

‘Ik vulde mijn dagen met het rondbrengen van illegale blaadjes en briefjes van het verzet. Ook gaf ik informatie door over Duitse troepenbewegingen. In mijn opleiding had ik van alles geleerd over meteo en codesystemen. Ik kon de Britse luchtmacht dus actuele gegevens over het weer doorspelen. Elke dag bracht ik een gecodeerd briefje naar de huisarts. Dat deed ik steeds tijdens spreekuur. Hij gaf de informatie op zijn beurt aan iemand met een geheime zender. Via Radio Oranje begreep ik dat er van de informatie ook gebruik is gemaakt. Overigens is de huisarts later verraden en naar een concentratiekamp gestuurd. Ook hij heeft de oorlog overleefd, zij het zwaar beschadigd. Ik ben met zijn dochter getrouwd.’

‘Enkele vroegere luchtmacht collega’s waren betrokken bij het rijks distributiekantoor. Ze konden een baantje voor mij regelen als inspecteur. Ik reisde door het land en controleerde de administratie van lokale kantoren. In de kluizen waren voedselbonnen opgeslagen. Het verzet vroeg me afdrukken van de sleutels te maken. Ze gaven me daarvoor rode klei. Ik weet dat in elk geval in Oedenrode een kantoor is overvallen. Toen was ik daar allang weg. Er werden veel voedselbonnen buitgemaakt, bedoeld voor ondergedoken joden en verzetsmensen.’

‘Als inspecteur kwam ik ook in Kamp Westerbork. Ik had vluchtig contact met enkele joodse families. Zo maakte ik kennis met Swaab, concertmeester van het Concertgebouworkest, en meneer Kiek, horloger. Iedereen werd goed in de gaten gehouden. Mensen vroegen me geld of boodschappen aan anderen door te geven. Dat heb ik gedaan. Ik wist toen niet dat ze naar vernietigingskampen zouden worden gestuurd. Dat idee hadden ze volgens mij zelf ook niet. We praten over ’43. Kampcommandant Gemmeker vond het niet wenselijk dat ik er nog langer was. Hij stuurde me weg.’

‘Toen in ’44 de Binnenlandse Strijdkrachten werden opgericht, vroegen ze mij als oud-militair om een groep in en rond Bilthoven op te zetten. We waren met een man of negen. Via wapendroppings kregen we twee stenguns en wat munitie. We oefenden in een diepe greppel in de bossen bij Maartensdijk. Je stak er met je hoofd niet bovenuit. We hadden natuurlijk ook mensen op de uitkijk staan.’

Militairen van de Binnenlandse Strijdkachten bij een gecamoufleerde stelling, van waaruit zij patrouilles ondernemen. Foto: NIMH.

‘Rond die tijd rukten de geallieerden op vanuit Frankrijk. Ik kreeg het verzoek de enige spoorlijn naar het zuiden op te blazen om te voorkomen dat de Duitsers versterkingen naar het zuiden zouden sturen. De spoorlijn liep door ons dorp. Ze gaven ons kneedbare springstof. Daar hadden we geen enkele ervaring mee.’

‘Van mensen die bij het spoor werkten hoorden we wat de beste plek was. Een hele tijd hebben we de Duitse wachten in de omgeving geobserveerd. Op een nacht deden we een poging met een flinke kluit springstof. God zegene de greep.’

‘Het mislukte. De rails werden wel kromgetrokken, maar verder gebeurde er niets. Zonde van alle moeite. Ik heb er nog steeds af en toe pijn van in mijn buik, want we verloren vier man. Eén werd op de vlucht neergeschoten, drie anderen zijn later opgepakt en gefusilleerd.’

‘Ik weet niet of ik beschadigd ben door de oorlog. Misschien wel. Ik ben in elk geval blij dat ik mijn rug recht heb gehouden. Ik had de eed afgelegd dat ik het vaderland zou verdedigen. Nou, dan doe je dat. Dat is ook wat ik aan volgende generaties wil doorgeven: wees weerbaar en blijf principieel.’

‘Ik ben er trots op dat ik heb meegewerkt aan een gedenkteken in Soesterberg, speciaal voor de 75 mensen van de luchtmacht die zijn gevallen in mei 1940. Daarvoor heb ik recent een Kruis van Verdienste gekregen. Daarnaast ben ik onderscheiden met het verzetsherdenkingskruis. Ik zie het als waardering voor wat ik heb gedaan. Daar ben ik trots op.’