17 juli 2020
Home Verhalen van veteranen Explosieven opruimers met een engeltje boven hun hoofd

Explosieven opruimers met een engeltje boven hun hoofd

Na de Duitse overgave moesten onontplofte explosieven geruimd worden voor de start van de wederopbouw van Nederland.

Adam van Rijsbergen (1917-2015) en Johan Piet Romp (1924-2013) ruimden na de Duitse overgave onontplofte explosieven, zodat de wederopbouw van Nederland van start kon. Van Rijsbergen was bij de marine verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven in de kustzone. Romp begeleidde in dienst van de landmacht onder meer Duitse gevangenen die landmijnen moesten ruimen en verzorgde voorlichting aan burgers om ongelukken met ongesprongen explosieven en achtergebleven munitie te voorkomen.

Explosieven ruimen door de Koninklijke Marine
Adam van Rijsbergen (1917-2015) uit Lage Zwaluwe in Noord-Brabant was in mei 1940 als dienstplichtig soldaat gelegerd in de Peel-Raamstelling toen de Duitsers Nederland binnenvielen. Tijdens de bezetting werkte hij als vanouds als griendwerker in de Biesbosch. Nadat de geallieerden het gebied waar hij woonde in november 1944 hadden bevrijd, sloot hij zich aan bij de Binnenlandse Strijdkrachten. In maart 1945 reageerde hij op een oproep van de Koninklijk Marine die vrijwilligers zocht die – zoals Van Rijsbergen het zelf omschrijft – “de Nederlandse havens weer bekwaam konden maken voor de scheepvaart. (…) Ze stelden voor om in Nederland tewerkgesteld te worden als havenvrijmaker, en de rivieren en de kanalen, zodat de scheepvaart weer op gang kon komen.”

De marine bereidde zich al tijdens de oorlog in Engeland voor op het ruimen van ongesprongen explosieven in bevrijd Nederland. De marine zou onder meer het ruimen van explosieven in de kustzone op zich nemen. Luitenant ter zee 1e klasse Bastiaan Mahieu tuigde een organisatie op die bestond uit verschillende ploegen voor het demonteren van zeemijnen (Rendering Mines Safe – RMS), het opruimen van wrakken (Wreck Disposal – WD), het demonteren van bommen (Bomb Disposal – BD), het opruimen van onderwater liggende explosieven door duikers (Port Party – PP) en het opruimen van Käthiemijnen (Kathy Mine Party – KMP). De te ruimen explosieven bestonden uit een allegaartje van Nederlandse, Duitse, Amerikaanse en Franse herkomst. Het waren zeemijnen, bommen, torpedo’s, parachutemijnen en onderzeebootmijnen, explosieve antiveeg-obstakels en vliegende bommen (V1 en V2). Bij de strandversperringen werden allerlei soorten landmijnen aangetroffen. Bovendien waren veel woningen en gebouwen langs de kust voorzien van boobytraps. Vooral de Käthiemijnen vormden een groot probleem. De Duitsers hadden er langs de Nederlandse kust ruim 8.000 gelegd. Op het hoogtepunt waren maar liefst vijftien KM-Parties langs de Nederlandse kust op zoek naar deze mijnen. De laatste KMP zou pas eind 1953 worden opgeheven.

Hindernissen langs de kust: landmijn op een paal. (Bron: NIMH)

Opleiding in Holborn Hill, Cumberland
Van Rijsbergen werd via Breda en Oostende naar Engeland gebracht. Daar verbleef hij enige weken in een hotel in Londen zonder dat hij wist wat hij daar eigenlijk deed. “Ik kon geen Engels en daor wierd allemaol Engels gesproken.” Uiteindelijk belandde hij in Holborn Hill, een kustplaatsje in het graafschap Cumberland in het noordwesten van Engeland. “Dat was afgeschermd met duinen. En wij zaten op die duinen te leren voor de mijnenopruimingsdienst. Dat noemden ze toen Bomb Disposal Party.” Van Rijnsbergen werd tot zijn spijt geen ‘havenvrijmaker’, maar explosievenruimer. De Bomb Disposal-ploeg waarvan hij deel uitmaakte richtte zich op het ruimen van ongesprongen explosieven die op of in de buurt van het strand werden aangetroffen. Dat kon van alles zijn, zoals landmijnen in de duinen tot explosieve obstakels die de Duitsers voor de kustverdediging in het ondiepe water vlak onder de kust hadden aangebracht. Van Rijsbergen moest ze allemaal leren herkennen. “We kregen allemaal Duitse mijnen, van die voetmijnen, antitankmijnen, van die grote dinge…. Mijnen om van te leren, die in Holland door de Duitsers weggelegen waren.” Van Rijsbergen leerde hoe ze werkten. De opleiding duurde een paar maanden.

“Een engeltje boven mun kop”
In juni 1945 ging Van Rijsbergen terug naar Nederland. Hij kwam in Den Helder terecht waar hij werd ingezet om de obstakels in de vloedlijn te ruimen. “Langs de kust, langs het strand hadden de Duitsers allemaal mijnen gemaakt, poale met mijnen erop, maar ook onder de waterlijn van die grote dikke granaten. Daar heb ik enkele dagen met unne kurperoal van de marine (…) mijnen opgeruimd. Ik had in dienst een bietje zwemmen geleerd. (…) En hij zeet: ‘Dan duik ik wel naar de granaat toe bij dieje poal en dan magde gij boven op mij gaon staon dat ik onder blijf.’ Dan ging ik bovenop op hem staon en dan maakte hij [onderwater] die mijn los. Da waor hièl gevaarlijk werk.”

Jongens spelen op het strand van Noordwijk tussen nog steeds aanwezige versperringen van de Atlantikwall. Ze trekken zich niets aan van het gevaar van landmijnen. (Bron: Nationaal Archief / Anefo)

Van Rijnsbergen maakte ook zeemijnen onschadelijk. Die lieten ze springen in zee. “Dan brachten ze irst met de sloep springstof op de mijn.” Hij kreeg ook te maken met aangespoelde V1’s. “En d’r spoelden ok nog V1’s aon, die brandende varkens, witte nie. (…) In Callantsoog en bij Den Helder spoelden d’r ok van die V1’s aon. Die waren op zee [gestort] en die bleven drijven. En die hebben wij ook ontmanteld.” Hij heeft er zo’n stuk of acht onschadelijk gemaakt. In Callantsoog ruimde  hij samen met de korporaal landmijnen in de duinen. “We hebben toen een pad geprikt, op oe knieën kropen we zo, neffe mekaore, met de bajonet prikten we zo de mijnen eruit. Da heb ik nog mee gedaan, tot tegen de duinen toe, want d’r zatte bunkers in de duinen, hè, gebouwd door die moffen, hè, allemaol bunkers.” Van Rijsbergen vond het geen lastig werk. “Daar had ik helemaal geen moeite mee, maar ik wou uit dienst, want het was mijn beroep niet. Mijn beroep was in de griend werken, als bosbouwer.” Hij is nooit bang geweest. “Ik heb weinig angst gekend. (…) Ik heb wel eens gezeed, ik denk dat ik een engeltje boven mun kop heb hangen.” Overigens zette de marine na de oorlog ook Duitse krijgsgevangenen – personeel van de Kriegsmarine – in voor het ruimen van mijnen langs de Nederlandse kust.

Landmijnen ruimen
Romp werd geboren in Bloemendaal waar hij zich tijdens de bezetting op geheel eigen wijze tegen de Duitsers verzette. Zijn roekeloze gedrag bezorgden zijn ouders kopzorgen. Toen zijn daden echt gevaarlijk dreigden te worden, werd hij door zijn ouders gedwongen om onder te duiken bij een boer in Oost-Nederland. Toen het Canadese leger naar Noord-Nederland optrok, sloot hij zich aan als tolk en gids. Hij meldde zich na de capitulatie aan om als oorlogsvrijwilliger in Nederlands-Indië tegen de Japanners te vechten. Hij kwam terecht bij het tweede bataljon van het 8e Regiment Infanterie (2-8 R.I.), helemaal gevuld met Achterhoekse jongens. “

Wij dachten verdorie dat we naar Indië gingen, want wij wilden bloed aan de paal zien. (…) Wij zouden die Jappen wel eens even wat laten zien.”

Maar daar kwam niets van terecht.

De mannen van 2-8 R.I. werden aangewezen om Duitse militairen te begeleiden die na afloop van de oorlog door de geallieerden werden gedwongen om landmijnen te ruimen. De eenheid die zich hiermee bezighield stond onder leiding van Oberstleutnant R. Draeger. De eerste maanden na de overgave ruimde de Brigade Draeger, die bestond uit zo’n 100 officieren en ruim 3.000 onderofficieren en manschappen, onder verantwoordelijkheid van de geallieerden mijnen in Noord-Nederland. In september was het ruimen van mijnen boven de grote rivieren voltooid en verplaatste de brigade zich naar Zuid-Nederland waar nog veel te doen was. De geallieerden hadden laten weten de verantwoordelijkheid voor het ruimen van mijnen op 1 oktober 1945 aan het Militaire Gezag (MG) over te dragen. Daarvoor moest het MG in allerijl twee bataljons mijnenruimers oprichten. De twee bataljons werden gevuld personeel van 2-8 R.I. en het eerste bataljon van het 2e Regiment Infanterie (1-2 R.I.), aangevuld met personeel van No 1 Netherlands Mine Lifting Company.

Soldaat Johan Piet Romp tussen twee Duitse krijgsgevangenen, 1946. Op zijn rechteronderarm is het embleem van de Mijn- en Munitie Opruimingsdienst te zien. (Bron: Stichting Geschiedkundige Verzameling Explosieven Opruimings Dienst)

Nederlandse Infanterie Mijnen School
Het personeel van de twee bataljons diende de Duitsers te bewaken en toezicht te houden op hun ruimwerkzaamheden. Om toezicht te kunnen houden, moesten ze wel kennis hebben van ongesprongen explosieven. Daarvoor kregen ze een opleiding. “We kwamen in Bergen op Zoom terecht. In Bergen op Zoom stonden bordjes met N.I.M.S., Nederlandse Infanterie Mijn[en] School. En daar waren wat Nederlandse militairen, twintig, die naar Engeland overgestoken waren en die hadden in Engeland lessen gehad.” De trainingen werden verzorgd door personeel van de No 1 Netherlands Mine Lifting Company. Commandant van deze eenheid was kapitein J.T. de Koningh. Die had samen met een aantal andere Nederlandse militairen in Engeland een opleiding voor het ruimen van vliegtuigbommen gekregen. Begin november 1944 vertrok de eenheid van de Koningh naar het vasteland en werd onder bevel van prins Bernhard, de Bevelhebber der Nederlandse Strijdkrachten, gesteld. In de maanden erna breidde de ploeg snel uit en ging in Zuid-Nederland aan het werk. Achtereenvolgens tooide de eenheid zich met namen als Sectie Bomopklaring,  Compagnie Bomopruiming, de 1st Dutch Bomb Disposal, de 1st Dutch Bomb Disposal and Mine Clearing Company en tot slot de naam No 1 Netherlands Mine Lifting Company. Aan de ontwikkeling van de naam is te zien dat de aandacht verschoof van vliegtuigbommen naar het ruimen van landmijnen. Het MG wilde namelijk het dagelijks leven, en daarbij hoorde ook het bewerken van cultuurgronden, zo snel als mogelijk weer op gang brengen.

De aankomst in Bergen op Zoom stond Romp helder voor ogen:

“Daar stond een officier met een arm – hij had zo’n lege mouw – en hij had ook maar één oog – zo’n zwart (…) ooglapje had hij voor zijn oog.”

‘‘Mannen, hartelijk welkom, op de N.I.M.S.’, want zo praat zo’n officier dan, ‘waar jullie leren mijnen ruimen’.’ Romp en zijn maten waren dat niet van plan. Ze riepen: “Ja, dat doen we niet.” De officier reageerde geagiteerd: “‘Koppen dicht, de moffen hebben ze gelegd en de moffen ruimen ze ook op. En jullie staan er dan achter om te kijken of ze niet smokkelen.’ Dat wilden ze wel. Ze hadden allemaal in het verzet gezeten en zagen kans op vergelding ‘Oh, wij zullen die moffen eens…. Die hebben voorlopig niks meer te vertellen.’

Romp nam zijn opleiding serieus. “Ik ging niet stappen ’s avonds.” Alle soorten mijnen leerde Romp uit zijn hoofd. Zijn examen verliep voorspoedig. “Op de dag des oordeels hadden ze een zaal met een balie daarvoor, zeg maar. En daar stonden onderofficieren met fluitjes, fjieet, en dan kroop je langs die balie heen en dan was er een rond gat in en daar ging je hand in. ‘ZZ-42, Zug Zünder.’ Want alles was in het Duits en in het Engels. ‘ZDZ- Zug, Druck und Zerschneiden Zünder.’ Zug, dat is trekken, Druck, dat is drukken, Zerschneiden dat was met een spandraad. Dan haakte je met je neus van je schoen achter die draad, krak-ting-ting, en dan ontplofte er links en rechts van je een mijn en dan was je een zeef.”

Duits gevangenen ruimen mijnenveld bij Vierlingsbeek. (Bron: Nationaal Archief / Anefo)

Volgens Romp reageerden de Duitse gevangenen laconiek toen de Britten lieten weten dat de Nederlanders het toezicht per 1 oktober 1945 van de geallieerden zouden overnemen. “’Volgende week dan komen hier Nederlanders en ik zou maar goed uitkijken voor ze, want die zijn niet zo lekker hoor, want dat zijn allemaal verzetsmannen, hè.’” Daar dachten de Duitsers volgens Romp anders over: “’De Hollanders waren allemaal maar slechte soldaten.’” Toen de Nederlandse militairen dit hoorden, greep een van hun commandanten, luitenant Van Hoorn, die in mei 1940 nog tegen de Duitsers bij de bunkers in de buurt van Boxmeer had gevochten, in. Hij liet iedereen aantreden en marcheerde zijn mannen in strak gelid af naar het kamp van de Duitsers. Luitenant Van Hoorn zei tegen de Duitsers: “’Zie je die troepen? Dit zijn goede soldaten en ze kunnen ook verdomd goed schieten.” Romp gaf toe dat ze de Duitsers niet altijd netjes hebben behandeld. Zo gaf Romp ze geen toestemming om onder het werk te plassen, omdat hij bang was dat ze dan zouden ontsnappen. “Ik heb ze wel gezien dat ze [landmijnen] aan het prikken waren en ondertussen waren ze aan het plassen, gewoon in de rij.”

Aan de dood ontsnapt
Romp ontsnapte verschillende keren aan de dood. Op een gegeven moment werkte hij op een terrein van een steenfabriek in de Betuwe. Daar had je droogloodsen waar stapels stenen lagen te drogen. Tussen de loodsen liepen paden waar personeel met kruiwagens vol stenen kon lopen. Romp moest als leider van een ploeg Duitse mijnenruimers controleren of ze hun werk goed hadden gedaan. “Dan ging ik met zo’n prikkertje door zo’n gang heen en als ik dan aan het eind was dan zei ik: ‘Veilig’. En dan konden ze weer verder met het werk gaan.” Ze hadden een ijzeren pen met een bordje dat aan de ene kant rood en aan de andere kant wit was geschilderd. De laatste man die het gebied verliet dat was onderzocht, moest de pen in de grond steken. De rode kant gaf aan wat nog niet was onderzocht en de witte kant het gebied dat veilig was.

“Een van die Duitsers is zo leuk geweest om dat bordje een gang verder te zetten om mij te laten verongelukken.”

De volgende dag gingen ze weer aan het werk. Romp gaf aan waar het veilig was, waarna Romp’s collega Jan van Daalen het pad instapte. “Boem, hij was een been kwijt, slagaderlijke bloeding. Wat zat er in die dij waarin de slagader zat? Daar zat het hoefijzer van zijn schoen. We hadden achter [op onze schoen] een hoefijzer met 28 spijkers en een stalen teenstuk. En uh ja, ze hadden de verkeerde te pakken.”

In een ander geval moest Romp ergens langs een verbindingsweg tussen Elst en Bemmel zijn. Een gemeenteambtenaar reed mee op zijn fiets. Bij een bepaald stuk weg gaf de ambtenaar aan dat de boeren er al ruim een jaar met paard en kar overheen reden. Romp gaf zijn Duitse chauffeur opdracht halfspoor te rijden. “Dus met de linkerwiel in het midden, tussen de bestaande karsporen, en met het andere wiel door de grasberm. Maar in die grasberm lag een antitankmijn van twaalf kilo, een Riegel-mijn. En we gingen zo, boem! Je hebt nog nooit zo’n klap gehoord. Ze hebben ons uit de wrakstukken gehaald, [we] mekeerden niks.”

Ook aan de grote ontploffing bij de buiskruitfabriek in Muiden op 17 januari 1947, waarbij in één klap veertien mensen omkwamen, ontkwam Romp, omdat hij zich had laten vervangen. Op een gegeven moment werd hem gevraagd of hij naar buiskruitfabriek Muiden wilde (zijn ouders woonden daar in de buurt), maar hij wilde niet omdat hij een vriendinnetje in Warnsveld had. Zijn maat uit Zaandam wilde zijn plaats graag innemen. “’Dankjewel kerel, dankjewel.’ Ik heb hem nooit weergezien. Hoe het precies is gegaan, weet ik niet, maar ze waren allemaal aan flarden. Ze gaven die granaten door. Die werden uit die auto geladen en dan gingen ze de fabriek in waar personeel van die fabriek die dingen leeg lieten lopen en die springstof weer gebruikten voor wat anders. (…) Maar allemaal weg.”

affiche-explosieven

Een voorlichtingsaffiche van de overheid waarin wordt gewaarschuwd voor de gevaren van ongesprongen munitie en explosieven. (Bron: Beeldbank WO2 / NIOD)

Voorlichting
Romp werd op een gegeven moment betrokken bij de voorlichting aan kinderen en volwassenen om explosieven of munitie met rust te laten. Langs de weg van Nijmegen naar Venlo lag om elke kilometer zes ton munitie in de wegberm. “En die schoolkinderen die vonden dat leuk. Die haalden een handgranaat d’r uit en dan boem, dag schoolkind.” In Groesbeek werd een grote tent neergezet waar Romp een tentoonstelling voor kinderen inrichtte. “We hadden tafels met hier en daar een pol gras (…) en daar had ik dan wat onder gelegd.” Met een waarschuwing om er vooral niet aan te komen. De tent bleef een week staan, werd dan weer afgebroken en opgebouwd in een andere plaats. Na Groesbeek was Romp in onder meer Tilburg, Oirschot, Geertruidenberg. “Overal een week. Dat was heel leuk, ik vond dat hartstikke goed.” Overdag kwamen de schoolkinderen en ’s avonds de volwassenen. “En dan kwamen er ook wel heren, dan dacht ik wel een beetje voorzichtig wezen, God weet wat voor vent wat dat is, dat lijkt wel een officier. Die zaten d’r tussen en die gingen vragen stellen. Die dachten, dat zal hij vast wel niet weten, maar ik wist het wel hoor.”

Interviews luisteren?
Geïnteresseerd in de hele interviews? Luister hier naar het interview met Johan Peter Romp. Adam van Rijsbergen is twee keer voor de ICNV geïnterviewd, in 2008 en 2014. De fragmenten in het artikel zijn afkomstig uit het interview uit 2008. Luister hier naar het interview uit 2008  en hier naar het interview uit 2014.

75 jaar vrijheid

Dit artikel is onderdeel van het thema ’75 jaar vrijheid’. Kijk voor meer artikelen en verhalen van veteranen op de themapagina.

Lees meer