15 december 2016
Home Verhalen van veteranen Een strijdbare vrouw

Een strijdbare vrouw

Verzetsvrouw Hebe Kohlbrugge (1914-2016) werd op 5 april 1944 gearresteerd. Het was het begin van een lijdensweg die haar uiteindelijk in concentratiekamp Ravensbrück deed belanden. Hebe kreeg de veteranenstatus op basis van haar risicovolle verzetswerk.

Ze was op weg naar Londen met fotorolletjes met allerlei militaire en politieke rapporten over de situatie in Nederland, net zoals ze dat al eerder illegaal had gedaan naar Zwitserland. Om de Belgische grens te passeren, zou ze in Tilburg opgepikt worden door een meisje dat haar ‘passeur’ zou zijn. Op de afgesproken plek kwam het meisje helaas niet opdagen. Ze besloot terug naar Amsterdam te gaan, maar helaas had ze een in Engeland gefabriceerd vals persoonsbewijs op zak, op naam van Christine Doorman. Het noodlot trof haar toen ze op de terugweg in de trein controle kreeg en een van de controleurs het kleurverschil opmerkte. Ze werd gearresteerd, wetende dat ze ook de fotorolletjes nog op zak had. Die wist ze bij ‘een aardige mevrouw met een kind’ die naast haar zat in de jaszakken te deponeren. “In Amsterdam liep zij de trein uit zonder enige angst. Ze heeft het, wat ik achteraf hoorde, pas een dag of acht daarna gemerkt, dus het is prima gelukt”, vertelt Kohlbrugge lachend.

Verhoren

Op dat moment was het enige wat ze haar konden verwijten dat ze een vals persoonsbewijs had. Ze mochten er echter onder geen beding achter komen wie ze daadwerkelijk was. Ze zat vanaf oktober 1940 al actief in het verzet en het kon niet anders dan dat ze veel te veel wist. “En zo zat ik in Scheveningen. En ik wist dat niemand wist dat ik opgepakt was. Dat iedereen dus thuis was. En ik was ervan overtuigd dat ik folteren niet vol kon houden. Dus ik dacht: dat moet ik vermijden.” Eerst bedacht ze dat het een mogelijkheid was om met een soort ‘vlucht naar voren’ zich als jodin voor te doen. Dat zou het valse persoonsbewijs verklaren en ze zou naar Westerbork worden afgevoerd, in ieder geval weg van de verhoren. Toen de Aufseherin echter van cel naar cel ging, schreeuwend of er nog Juden waren, kreeg ze op  het moment dat haar cel aan de beurt was het niet uit haar keel. “Ik was woedend op mezelf”, vertelt ze, “maar ik was te laat.” Kohlbrugge ontkwam niet aan de verhoren en ze besloot het over een andere boeg te gooien. Ze besloot toe te geven dat ze wist dat het persoonsbewijs vals was, maar dat het wel haar echte naam was. Haar verhaal was dat ze achter haar verloofde aan wilde reizen die vanuit Zwitserland maar niets meer van zich liet horen. Bovendien was ze Rijksduitse, bracht ze naar voren, en omdat de Nederlanders zich zo gemeen tegen de Duitsers gedroegen, had ze vervalste papieren georganiseerd, opdat ze als Nederlandse door het leven kon. Er was heel wat acteerwerk voor nodig om ‘het domme wichtje uit Duitsland’ te zijn. De Duitse ondervrager geloofde haar niet.

Hij zat tegenover me en toen brulde hij: ‘Beweisen Sie dass Sie eine Deutsche sind!

vertelt ze. “Meine Sprache, Sie kennen keine Holländer die so Deutsch spricht wie ich.” Toen loonde het dat Kohlbrugge, voordat ze het land was uitgezet, eind jaren dertig een opleiding had gevolgd in Berlijn. Haar Duits was inderdaad uitstekend. Bovendien deelde ze mee dat ze een Haustochter was, iemand in huis die met het huishouden een beetje helpt. In Duitsland een heel normaal begrip, maar niet in Nederland.

Hij was overtuigd, haar overtreding werd nu dat ze verplicht was geweest zich bij aankomst te melden bij de autoriteiten, wat klaarblijkelijk niet gebeurd was. Tien maanden met aftrek van voorarrest kreeg ze. “Tien maanden, dat lijkt dan niks, dat is als vakantie, drie maanden Scheveningen waren er al af, dus ik had maar zeven maanden. Maar in Ravensbrück zijn zelfs zeven maanden veel”, vertelt ze. Scheveningen was zonder het gevaar van de verhoren voor Kohlbrugge een ‘prettig verblijf’. Ze mocht lezen, werd gelucht en: “Het eten in Scheveningen was, ja, niet als thuis, maar als je een dikke bruine bonensoep kreeg: lekker.”

Kamp Vught

Aan het verblijf in Scheveningen kwam echter een eind en ze werd naar kamp Vught afgevoerd. Ook over Vught willen mensen, in de woorden van Kohlbrugge, ‘vooral schrikverhalen horen’, maar daar kan ze niet echt over meepraten. Ze had het relatief goed, werkte op het Krankenrevier, waar ze met “allemaal illegale meiden” die de medeverpleegsters waren, een relatief goede tijd had. Kohlbrugge kon echter, ook daar, niet haar ware identiteit onthullen. Ze moest het verhaal van de verloofde en het domme wichtje uit Duitsland genaamd Christine Doorman vol blijven houden. Toen een Aufseherin, een uit de achterbuurt van Rotterdam komend meisje bij wie ze eerder een kleine toenadering had gevonden, naar haar verhaal vroeg, antwoordde die echter: “Meid, dat geloof je zelf niet.” “Dan ga je door de grond”, vertelt Kohlbrugge. “Toen heb ik een week lang in angst gezeten, maar ze heeft me niet verraden. Dat vind ik groots. Ze heeft daarmee meer gepresteerd dan een heleboel illegalen.”

Nadenken

De ‘relatief goede tijd’ in kamp Vught kwam echter ook ten einde. Dolle dinsdag brak aan en in paniek versleepten de Duitsers alle gevangenen naar het oosten. Ze werden in vrachtwagens gepropt en per trein afgevoerd. Ze hadden het ‘geluk’ dat ze als ziekenhuis bij elkaar in één wagon werden gezet en niet al te veel zieken hadden op dat moment, waardoor ze nog enigszins konden zitten. De stemming in de wagon was niet al te best en enkelen begonnen te weeklagen over hun duistere lot: “Nu gaan we naar een Duits kamp, dat kun je niet volhouden, nu ga je dood, dat soort dingen zeiden ze”, vertelt Kohlbrugge. “Toen dacht ik: verdraaid, dat wil ik niet. Als ik dood ga, ga ik dood, maar niet van: oh oh, ik ga dood. Daar zal ik me tegen verzetten. Ik zat daarover te denken tijdens de rit en toen dacht ik: je moet je hersens inspannen, dus je moet in Ravensbrück contact zoeken met mensen waar jij niets vanaf weet, zodat je iets leert of hoort.” In Ravensbrück aangekomen werden zij bij de ziekenboeg van het kamp ingedeeld. Bij het dagelijkse urenlange appel zorgde Kohlbrugge ervoor dat ze naast een stel jonge Tsjechische vrouwen kwam te staan. Met hen kon ze in het Duits converseren. Zij vertelde over Amsterdam en de Tsjechische meisjes, allen communisten, vertelden over Praag en het communisme. “Ik zat met open mond te luisteren. Ja, ik had Marx gelezen, maar verder wist ik niks natuurlijk. En ik dacht: het is wel wonderschoon, het lijkt me iets te mooi. Dat was mijn kritiek. Verder was ik niet in staat tot kritiek, ik dacht: zo mooi kan de wereld niet worden. Maar ik luisterde en dat was precies wat ik wilde, ik kon erover nadenken.” Kohlbrugge bouwde een goede relatie op met deze Tsjechische meisjes en dat zou haar geluk worden. Deze meisjes zaten al lang in het kamp en hadden een zekere positie verworven, een van hen was zelfs arts.
“Je kreeg in Ravensbrück, en dat was heel naar, geen behoorlijke kleding. Je kreeg een jas en een jurk, geen kousen en geen broek. ’s Ochtends stond je van vier tot zeven uur op appel en het was 70 kilometer ten noorden van Berlijn, het was dus al fiks koud en dat trok ontzettend op. Dat gaf je kans op alle blaas- en nierziekten die je maar kunt bedenken.” Dankzij de Tsjechische meisjes kreeg Kohlbrugge een broek. “Dat was goud waard.”

Onzalige taak

In Ravensbrück kregen ze veel te weinig te eten en ook veel te weinig slaap. Alhoewel Kohlbrugge ook hier ‘het geluk’ had in de ziekenboeg te werken, had ze de onzalige taak gekregen om met helemaal niets voor de aanwezige Poolse baby’s te zorgen. “Ik had niks. Vieze lapjes en die vieze lapjes moesten gewassen worden als het kon en die moesten gedroogd bij het vuurtje. Het kind dat het dichtst bij het vuurtje lag, lag veel te warm en het kind dat bij het raam lag, lag veel te koud. Wat moest ik doen? Alles wat ik deed, was fout.” De baby’s stierven, de één na de ander, en ze had dan ook nog de taak het de Poolse moeders mee te delen. “Eentje herinner ik me nog heel goed. Die kon per ongeluk goed Duits en zei: ‘Mijn man is doodgeschoten, mijn hele familie is weg. Dit kind was het enige wat ik had.’” Uiteindelijk werd zij hier weggehaald en aan het werk gezet bij de ‘luizencolonne’, waarbij ze het haar van de vrouwen moesten controleren op luizen. Het werk stond haar tegen en ze kreeg het aan de stok met de Kapo. Net toen ze niet meer wist hoe het nu verder moest, werd ze geveld door 40 graden koorts. Ze werd ijlend in de tyfusbarak gelegd, waar ze als haringen in een ton met zijn drieën in een bed lagen. “Ik lag weinige uurtjes en toen kwamen twee van mijn Tsjechische vriendinnen met een brancard. Ze haalden mij daar weg en droegen mij naar de enige kleine elitekamer van het kamp met tien bedden. En ik kwam alleen in een bed te liggen, u weet niet wat dat is, alleen in een bed. Dat denk ik nu nog wel eens als ik in bed lig: ik heb een bed! Het was verrukkelijk wat deze twee Tsjechische vriendinnen voor mij gedaan hebben en een groot wonder, want ze wisten dat ik geen communist was en dat ik christen was.” Lang zou echter dit ‘paradijselijke bestaan’ niet duren. De rust werd hier wreed verstoord door een hele groep zigeunermeisjes die zonder verdoving gesteriliseerd werden door de kamparts en ook op deze kamer onder werden gebracht. Een kind naast haar huilde de hele nacht: ‘Oh Maria Gottes hilf mir doch.’ Je kon niks doen, je lag daar maar.”

Vrij

Toch waren de wonderen de wereld nog niet uit voor Kohlbrugge. Haar straf zat erop en ze kreeg een papier met een ontslagbevel. Het was januari 1945 en ze stond zomaar op straat in het door oorlog geteisterde Duitsland. Haar contacten in Berlijn bleken allen na het complot tegen Hitler van 20 juli verdwenen te zijn. Ten einde raad reisde ze dan maar naar Uelzen waar ze een stempel van de Gestapo op haar formulier moest halen. Ze trof de wachtofficier aan “met zijn liefje op zijn schoot in een houding waar je geen derde bij wil hebben”, die woedend, betrapt, een stempel zette en ‘Raus’ schreeuwde. Met treinen vol vluchtelingen en ondanks de spoorwegstaking wist ze uiteindelijk ziek en verzwakt Amsterdam te bereiken. Hier kon haar zus, die haar verzetswerk had overgenomen, zich over haar ontfermen en zou ze de bevrijding meemaken. Kohlbrugge zou altijd dezelfde strijdbare vrouw blijvenals in de oorlog. Haar hele verdere leven heeft ze zich via de kerk ingezet voor het lot van de Oost- Europeanen. Het contact met haar Tsjechische vriendinnen heeft ze tot hun dood onderhouden.

(Fotograaf: Birgit de Roij)