10 april 2020
Home Verhalen van veteranen Een Nederlander bij de Special Air Service

Een Nederlander bij de Special Air Service

Arie Noot (1924-2017) nam tijdens WOII deel aan meerdere SAS-operaties.

Arie Noot (1924-2017) meldde zich in december 1944 aan voor het detachement Nederlanders bij de Special Air Service (SAS). Noot vloog in de nachten van 11-12 april en 12-13 april 1945 boven Nederland om op de Veluwe te worden gedropt in het kader van SAS-operatie Keystone. Beide keren keerde hij onverrichterzake terug naar Engeland. Over land kwam hij vervolgens vanuit Engeland terug om deel te nemen aan SAS-operatie Archway in Noord-Duitsland. Zijn verhaal is opgenomen in de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen (ICNV).

Arie Noot werd geboren op 24 mei 1924 in Amsterdam. In 1939 was hij aan zijn HBS-opleiding begonnen. Om aan de Arbeitseinsatz in Duitsland te ontkomen dook hij in mei 1943 onder in het Noord-Brabantse dorp Haaren. Daar raakte hij betrokken bij verzetsactiviteiten. Na de bevrijding van Zuid-Nederland maakte hij deel uit van de bewakingstroepen.

In de nacht van 4 op 5 september 1944 pleegt Noot met zijn verzetsgroep in Haaren een aanslag op deze munitietrein. Toen de trein op de plek van de aanslag aankwam, zagen ze rode kruizen op de zijkanten. Even dachten ze een fatale fout te hebben gemaakt, maar toen de lading spontaan begon te ontploffen, beseften ze dat het toch een munitietrein was. Blijkbaar was het een list om aan beschietingen door geallieerde jachtvliegtuigen te ontkomen. (Bron foto: NIOD)

Het detachement Nederlanders bij de SAS
“Ze zochten mensen voor de Special Air Service, nou ja die naam werd nauwelijks genoemd. Ze hadden parachutisten nodig daar kwam het op neer. Nou daar voelde ik wel wat voor”, aldus Noot. Begin december 1944 zocht de Inspecteur van de Stoottroepen, kapitein Carel Ruysch van Dugteren, voormalig hoofd van de persoonlijke lijfwacht van prins Bernhard, jonge mannen die bereid waren na een korte opleiding in Engeland naar bezet Nederland terug te keren om ‘gevaarlijke’ opdrachten achter de linies uit te voeren. Noot meldde zich aan. Op 12 december 1944 vloog een groep van 27 Nederlandse jonge mannen vanuit Gilze-Rijen naar Engeland. “En de volgende dag waren we in uniform.” Ze werden administratief ingedeeld bij het Bureau Bijzondere Opdrachten (BBO), de Nederlandse geheime dienst die wapens, instructeurs en agenten per parachute boven Nederland dropte om sabotageacties door het verzet te coördineren. Na hun opleiding werden ze bij de SAS gedetacheerd. Deze speciale eenheid was gespecialiseerd in het uitvoeren van sabotageacties ver achter de linies, diep in vijandelijk gebied. Waarschijnlijk had de SAS behoefte aan een Nederlandse militairen met specifieke taal- en terreinkennis die de SAS kon inzetten voor operaties op Nederlands grondgebied.

Op 28 december 1944 startte de opleiding. “Rennen, hollen, dag en nacht. ’s-Morgens vroeg, het eerste wat je deed voor het ontbijt, dan had je een rugzak om, 120 pond op je rug, en dan was het rennen, vijf-acht mijl.” In de eerste week lag de nadruk op het theoretisch deel van de parachutistencursus en deden ze droogoefeningen. In de tweede week stonden wapen- en springstoffenkennis op het programma. Ongetwijfeld kregen ze ook les in zaken als silent killing, fieldcraft, het werken met radioapparatuur en codeleer. Ten slotte begonnen ze in de derde week aan de parachutistenopleiding op het vliegveld Ringway in de buurt van Manchester. “Als je daar binnenkwam, dan was het één en al parachutist. Ze waren overal aan het oefenen, overal aan het rollen.” De eerste oefensprongen maakten ze vanuit een luchtballon, later sprongen ze uit bommenwerpers. Niet alle Nederlandse vrijwilligers waren aan de opleiding begonnen en een aantal viel tijdens de opleiding uit. Uiteindelijk bestond het Detachement Nederlanders bij 2nd SAS Regiment (2nd SAS Dutch Detachement) uit twee officieren en twaalf onderofficieren.

Arie Noot in zijn uniform als sergeant bij 2nd SAS Regiment. (Bron: collectie familie Noot)

In een hangar leert een parachutist correct landen met een speciaal harnas, RAF Ringway, augustus 1942. (Bron: Imperial War Museum, H 22867)

Operatie Keystone
Lange tijd bleef het voor Noot geheim wat hij in Nederland ging doen. Op 11 april 1945, een paar uur voor ze voor het eerst naar Nederland zouden vliegen, werden ze bij elkaar geroepen voor een briefing. Het belangrijkste doel was het veiligstellen van een aantal bruggen over het Apeldoorns kanaal zodat het Canadese leger die kon gebruiken bij zijn opmars naar Midden-Nederland. Daarnaast moesten ze een aantal munitieopslagplaatsen opblazen en als het kon nog even Reichscommissar fur die besetzten Niederländischen Gebiete Arthur Seyss-Inquart uit zijn villa ten zuiden van Apeldoorn dood of levend meenemen. “Je wist eigenlijk niks. Het enige wat we van de oorlog wisten, was wat je op de radio hoorde. Op een gegeven ogenblik werden we gebriefd. Toen moesten we naar een gebouwtje toe, een huis ergens in Engeland. Dat was een soort hoofdkwartier voor de Airborne Division. En daar kregen we de inlichtingen die ze hadden en dat was niet veel. Eigenlijk, als ik terugkijk [naar] mijn opleiding die ik daarna meegemaakt heb [bij de Mariniersbrigade] dan zeg ik het was een waanzinnige situatie. Eigenlijk wisten we niks. We werden afgeworpen [bij] het Uddelermeer […]. En dan moesten we maar zien dat we het redden. [Er waren] nauwelijks inlichtingen. Ja, Seyss-Inquart zat in Apeldoorn. Die moesten we maar zien te vinden. En misschien was er iemand op de grond die ons iets vertellen kon.”

In de nacht van 11 op 12 april vloog Noot naar Nederland. Hij zou bij een droppingszone bij Uddel op ongeveer 10 kilometer van Apeldoorn worden afgeworpen. “Die eerste sprong die we zouden maken op het Uddelermeer. We hadden twee man van tevoren afgeworpen, twee officieren, een Nederlander en een Engelsman. […] Die waren een paar dagen daarvoor afgesprongen. En die zouden zoeken naar een landingsplaats voor ons. En die kwamen bij het Uddelermeer terecht. Die zouden een Eureka meenemen, dat was een soort beacon om vliegtuigen mee te loodsen. En toen vlogen we daar rond. Er was geen signaal, die beacon deed het niet, het was stil. Dus ja, het Engelandspiel zat nog achter in het hoofd. Dus ze wilden ons niet zomaar afwerpen in het wilde weg in het donker. Toen zeiden we op een gegeven moment laten we maar een licht-flares afwerpen en kijken wat er op de grond zou gebeuren. En toen zeiden ze het stikt er van de voertuigen, tanks, trucks en weet ik allemaal meer.” Lachend vervolgt Noot:

“Dus die moffen zaten op dezelfde plek als wij wilden landen. Dus toen zijn we gewoon weer teruggevlogen.”

De Nederlandse officier die eerder was gedropt en de leiding bij de droppingszone had, had de dropping afgeblazen en verboden de landingslichten te ontsteken. Dat besluit had hij genomen nadat er nabij de landingszone een schietpartij was geweest waarbij de bewakingsploeg van het verzet op vermeende Duitse militairen had geschoten. Hij was bang dat de Duitsers hierdoor waren gewaarschuwd. Korte tijd later – toen iedereen al weg was – verschenen inderdaad Duitse troepen bij droppingszone om de boel te onderzoeken.

De volgende nacht, van 12 op 13 april, probeerde de eenheid van Noot het nog een keer. De droppingszone lag ditmaal in de buurt van Epe, tussen het Apeldoorns Kanaal en de bossen waar de 6. Fallschirmjägerdivision stellingen aan het aanleggen was om het gebied te verdedigen. “En toen liep het ook mis, toen liep het goed mis. Toen wisten die moffen dat we zouden landen. Die hadden mensen van de ondergrondse gevangen genomen. En die hadden ze verhoord en die hadden verteld dat er een landing plaats zou vinden, maar die wisten het fijne er niet van. Die wisten alleen maar hoe ze de lampen neer moesten zetten en welke codeletter ze naar boven toe moesten seinen. En ze moesten die Eureka meenemen. Die viel dus in handen van de moffen. Dus het baken was er, maar de letter was verkeerd. En daardoor zijn we dus niet naar beneden gegaan. En bleek dat de moffen [op onze komst] waren voorbereid. Drie bataljons Fallschirmjäger zaten te wachten op dertig man. We vertrouwden het niet en bleven rondcirkelen. Iedere keer: laten we het proberen, laten we het nog een keer proberen.” De beslissing om te springen lag in handen van de navigator. “Wij zaten maar te wachten [in het vliegtuig]. Je wist helemaal niet wat er aan de hand was. Je voelde alleen maar of je naar links of naar rechts ging. En ik kon naar beneden kijken in het gat. Je zag de grond. We vlogen over Deventer en de IJssel. Daar waren [Canadese militairen] bezig met de oversteek. Je zag een hoop flairs en een hoop tracers links en rechts, dus we wisten dat we in de buurt waren.” Keer op keer vlogen ze over de landingsplaats om te bekijken of ze konden springen. Net toen ze hadden besloten om terug te keren, werden ze beschoten.

“En toen openden ze het vuur op ons. We vlogen natuurlijk erg laag.”

Noot zat in het eerste vliegtuig met een detachement dat de landingszone had moeten beveiligen. Daarna zouden andere vliegtuigen met meer militairen en een aantal jeeps volgen. “[W]ij waren de eerste en zouden de landingsplaats bezetten met een paar man. En die anderen vlogen nog in een holding pattern boven de Veluwe totdat wij klaar waren. Dat ging niet door dus. En toen bleek dat [de Duitsers] helemaal voorbereid waren, afweergeschut en ze hadden ook nachtjagers. Toen hebben we op een gegeven moment een gevecht gehad tussen de rear gunner en een nachtjager die achter ons aan zat. Toen is het vliegtuig geraakt.” Ze wierpen lading en brandstof af om het vliegtuig lichter maken, zodat ze veilig naar Engeland konden terugkeren. Noot was ervan overtuigd dat ze waren verlinkt. Of er daadwerkelijk sprake was van verraad is onduidelijk. Feit is wel dat het op de grond wemelde van de Duitsers. Het kan ook een toevallige samenloop van omstandigheden zijn geweest.

Een SAS-jeep van 1st SAS Regiment in de buurt van Geilenkirchen, Duitsland, 18 november 1944. De jeep is bewapend met drie Vickers 'K'-kanonnen en voorzien van gepantserde glazen schilden in plaats van een voorruit. (Bron: Imperial War Museum, B 11921)

Terug in Engeland kreeg Noot te horen dat er geen derde poging werd ondernomen. De geplande operatie liep op weinig uit. Slechts een kleine SAS-party van zeventien man onder leiding van kapitein Richard Holland was er in geslaagd voet aan de grond te zetten in de buurt van de Veluwse plaatsen Nijkerk, Putten en Voorthuizen, ver weg van de bruggen over het Apeldoorns kanaal. De dropping van de jeeps was mislukt dus de kleinschalige sabotageacties die deze party uitvoerde, gebeurden noodgedwongen te voet. Een ander onderdeel van operatie Keystone lukte wel. Een SAS-jeep-party van 32 man onder leiding majoor Henry Druce slaagde erin bij Arnhem door de Duitse linies te breken. Druce reed over de Veluwe om contact te maken met Holland. Onderweg vielen Druce en zijn mannen Duitsers aan en slaagden erin een groot aantal krijgsgevangenen te maken.

Operatie Archway
De SAS-militairen die niet boven de Veluwe konden worden gedropt, kregen in Engeland te horen dat ze over land naar Nijmegen moesten om zich aan te sluiten bij de eenheden van 2nd SAS Regiment die deelnamen aan SAS-operatie Archway. De SAS trad op als voorhoede van de 21st Army Group die in Noord-Duitsland optrok. “Toen zijn we met jeeps vanuit Engeland vertrokken, over het kanaal heen, door België heen naar Nijmegen toe. Daar hebben we ons allemaal verzameld en toen zijn we van Nijmegen af Duitsland binnengereden naar de Elbe op weg naar Kiel.” Dit gebied was nog in handen van de Duitsers. “Eerst zaten we achter het leger aan en toen zijn we dat gepasseerd.” Vanaf dat moment fungeerde de SAS als speerpunt van de geallieerde troepen. Volgens Noot was het onduidelijk wat ze moesten doen.

“Het was heel vaag allemaal. Het was allemaal slecht georganiseerd. Als je er als militair later op terugkijkt zeg je hoe bestaat het dat het allemaal zo amateuristisch geregeld is, dat je geen inlichtingen had, eigenlijk geen instructies had. Je deed maar, je lost het zelf maar op. Daar kwam het op neer.”

Dat was overigens ook de kracht van de SAS. “De Special Air Service had geen logistiek, er waren geen ziekenverplegers, je had vier dagen rantsoen bij je, zie maar dat je het redt. [..] Als je munitie nodig had, dan neem je een wapen van de vijand. Dan heb je weer munitie. En als je eten moest hebben, dan zorgde maar dat je aan eten kwam. Je leefde van het land, zoals dat heette. Je ging een huis binnen en je at. En dan ging je weer verder. […] ’s-Nachts sliep je ergens in een huis”, aldus Noot “De opdracht was onrust stoken achter de Duitse linies. Dat hebben we ook gedaan; we lieten weten dat we er waren. Je reed een stadje binnen, dan pakte je de telefoon en dan belde je naar [het geallieerde hoofdkwartier in] Hamburg en dan zei je we hebben deze stad net bevrijd. Ze hadden natuurlijk geen flauw idee wat er aan de hand was. Het was chaotisch. Zij waren chaotisch en wij waren chaotisch. Zo deed je dat. Gewoon rondrijden en je laten zien.”

Piet Huchshorn tijdens SAS-operatie Archway in Duitsland. (Bron: collectie familie Huchshorn)

Aan operatie Archway nam een paar honderd man van 2nd SAS Regiment deel. Ze traden op in kleine groepjes. “Je moest geen [groot] gevecht aangaan, want dan ga je er onder door. Als je daar met tien man tegenover een bataljon staat…”. Toch werd Noot met een compleet bataljon geconfronteerd. “Op een gegeven moment gaf een heel bataljon zich over aan mij. In de laatste dagen van de oorlog. En die moest ik kwijt raken. Die moest ik naar een gevangenkamp brengen. En toen ben ik in het voorste voertuig gaan zitten, een truck van hun, met een chauffeur en de bataljonscommandant, een majoor. Die vertelde dat hij ook in Nederland had gediend en hij was Ortscommandant van Roermond geweest. Hij dacht dat hij zeker erg populair was”, vertelt Noot lachend. “Ik kon de vent wel doodschoppen”, vervolgt hij. “En die hebben we dus afgezet in een [krijgsgevangen]kamp. […] En toen hebben we kans gezien het regiment weer terug te vinden. Dan moest je maar zien dat je dat deed. Dan ging je maar liften. Dat deden we dus. En toen vond ik de rest weer terug. Toen waren we weer bij elkaar.” Op 3 mei 1945, een dag voordat het Duitse leger zich in Noordwest-Europa overgaf, raakte de Nederlandse SAS-sergeant Wim van Beek zwaar gewond tijdens een aanval op een sterke Duitse positie. Hij werd geraakt in zijn buik, bovenarm en bovenbeen. “[Hij had] veertien kogels in zijn lijf. […] Hij was de enige gewonde in Duitsland, maar zo zwaar gewond dat het een wonder is dat hij het overleefd heeft,” aldus Noot.

Na de capitulatie
Op 4 mei 1945 kreeg 2nd SAS Regiment de opdracht onmiddellijk terug te keren naar Engeland. Noot en twee andere Nederlandse SAS-militairen vroegen of ze eerst nog naar hun familie in Nederland mochten voordat ze vanuit Oostende de oversteek naar Engeland zouden maken. “Nou er was niemand die nee zei en ook niemand die ja zei. Dus we hebben de auto genomen, een Duitse stafauto met swastika’s er op en zo, en een Duitse vlag er op. […] We waren met z’n drieën, Jaap Snatager en [Piet] Huchshorn en ik.” De drie Nederlanders werden vergezeld door hun Engelse SAS-collega George Chambers die de stafauto bestuurde. Ze reden eerst naar Bodegraven waar ze voor de geallieerde troepen aankwamen. “Huchshorn had daar zijn ouders. Dus we stopten daar voor de deur. En toen waren wij de bevrijders. Toen kwam iedereen de straat op met vlagen”, vertelt Noot met groot plezier. “En de moffen liepen ook nog rond daar. Die marcheerden daar nog. Ik heb er nog foto’s van genomen.”

1 / 2 Arie Noot (vooraan), George Chambers, SAS-collega en bestuurder van de Duitse stafauto (midden), Piet Huchshorn (achter links) en Jaap Snatager (achter rechts in burgerkleding) worden warm onthaald in Bodegraven. (Bron: collectie familie Noot)
2 / 2 Arie Noot, Pet Huchshorn, Jaap Snatager en George Chambers komen onderweg naar Bodegraven en Amsterdam Duitse troepen tegen. (Bron: collectie familie Noot)

Daarna reden ze door naar Amsterdam waar Noot zijn ouders na lange tijd weer zag. Snatager, van Joodse afkomst en evenals Noot geboren en getogen in Amsterdam, was tijdens de oorlog betrokken geweest bij een verzetsgroep rond de Hollandse Schouwburg in Amsterdam, maar was na verraad in Zuid-Limburg ondergedoken. Bij hem was niemand thuis. Later kwam hij erachter dat zijn ouders en twee zussen in Duitse vernietigingskampen om het leven waren gebracht. Na een nacht in Amsterdam haalden ze Huchshorn in Bodegraven op en spoedden zich naar Oostende waar ze nog net op tijd waren om de boot naar Engeland te halen.

Jaap Snatager, George Chambers en Arie Noot op het Landing Ship Tank die SAS-eenheden van Oostende naar Engeland brengt. (Bron: collectie familie Noot)

In juni 1945 stapte Noot over naar de Mariniersbrigade en vertrok voor een opleiding naar Camp Lejeune in de VS. Na het voltooien van de officiersopleiding vertrok Noot in het najaar van 1946 naar Nederlands-Indië. Hij werd commandant van het eerste peloton van de Tank Compagnie van de Mariniersbrigade en nam deel aan actie Ideaal in maart 1947 en de landing op Pasir Poetih in juli 1947. In 1949 keerde hij terug naar Nederland. In 1959-1961 diende hij in Nieuw-Guinea. In 1967 verliet hij het Korps Mariniers in de rang van majoor.

Luister hier het interview met Arie Noot

Jeoffrey van Woensel, historicus bij het Kennis- en Onderzoekscentrum van het Veteraneninstituut, schreef samen met veteraan Rende van de Kamp in 2017 het boek ‘Operatie Keystone. Nederlanders bij de Special Air Service (SAS), 1944-1945’. Klik hier voor meer informatie.

In 2015 publiceerde Arie Noot zijn autobiografie Gratitude Is My Last Word: The Personal History of Arie Noot. Op YouTube is een 20 minuten durende, Engelstalige documentaire te vinden met de titel ‘My last Word’ die gaat over het leven van Noot. Daarnaast zijn er twee langere interviews met Noot op YouTube te zien: ‘Arie Noot speaking about his experiences in Holland and beyond during WW II’, 10 November 2014  (ca. 1 uur) en ‘Arie Noot, March 2015’  (ca. 1 uur).

75 jaar vrijheid

Dit artikel is onderdeel van het thema ’75 jaar vrijheid’. Kijk voor meer artikelen en verhalen van veteranen op de themapagina.

Lees meer