8 augustus 2019
Home Verhalen van veteranen De vuurdoop van de Prinses Irene Brigade in Normandië

De vuurdoop van de Prinses Irene Brigade in Normandië

Foto's: NIMH / Lucien van Groenestijn

De 1.500 militairen die na de capitulatie in mei 1940 naar Engeland wisten uit te wijken, vormden de kern van een Nederlands eenheid die op 26 augustus 1941 de naam Prinses Irene Brigade kreeg. Over de aankomst van de Irene Brigade op de stranden van Normandië twee maanden na D-Day wordt altijd wat schamper gedaan. Niets is minder waar. Enkele dagen na de landing in augustus 1944 kwam de brigade terecht in een gebied dat de bijnaam Hellfire Corner had. Daar vielen ook de eerste gewonden en de eerste twee dodelijke slachtoffers. Twee veteranen van de Prinses Irene Brigade vertellen in de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen (ICNV) over hun eerste weken in Normandië.

In de vroege ochtend van 6 juni 1944 landden zo’n 150.000 Amerikaanse, Canadese, Britse en Franse militairen op de stranden van Normandië. Rudi Hemmes (1923), soldaat van verkenningsafdeling van de Prinses Irene Brigade, is de eerste die toegeeft “dat het de Engelsen, de Canadezen en de Amerikanen [waren] die de eerste twee maanden alle, maar dan ook alle kolen uit het vuur hebben gesleept.” Volgens Hemmes wilden de Britten, Canadezen en Amerikanen de invasie zelf uitvoeren, omdat er anders opnieuw moest worden geoefend met andere geallieerde troepen. Bovendien spraken zij dezelfde taal. Ten koste van bijna 11.000 doden hadden ze aan het eind van de dag een bruggenhoofd in handen.

De Prinses Irene Brigade werd begin augustus 1944 ingescheept en naar Normandië vervoerd. Op 6 augustus landde de compagnie aanvullingstroepen samen met de kwartiermakers op het strand bij Courseulles-sur-Mer. Omdat ze vanwege een Duitse tegenaanval anders toch maar in de weg liepen, mochten de gevechtsgroepen pas een dag later aan wal. Zij werden ontscheept in de kunstmatige haven bij Arromanches. Als laatste volgden op 8 augustus de staf, de verkenningsafdeling en de artilleriebatterij bij Courseulles-sur-Mer. De gehele brigade, zo’n 1.200 man, verzamelde zich vervolgens in Cresserons. Hoewel in naam een brigade, was de Irene Brigade in werkelijkheid niet meer dan een versterkt bataljon.

Truck van de Prinses Irene Brigade verlaat een Amerikaanse LCU bij de landing in Normandië.

Het Orne-front
Op 12 augustus werd de Irene Brigade naar het Orne-front gedirigeerd waar ze een stuk van 1 kilometer frontlijn overnam van de 1st Royal Ulster Rifles van de Britse 6th Airborne Division. In dit gebied, ten oosten van Bréville-les-Monts, wisselden de Britten en de Duitsers al wekenlang zwaar artillerie- en mortiervuur uit en maakten scherpschutters van beide partijen het terrein onveilig. Het niemandsland was op een aantal plaatsen maar 200 meter diep, dicht begroeid en bezaaid met landmijnen en boobytraps. Ton Herbrink (1918 – 2016), pelotonscommandant van een van de gevechtsgroepen van de Irene Brigade, wist zich het nog goed te herinneren: “Wij kregen de opdracht een stuk front over te nemen van Britse parachutisten die daar al twee maanden zaten.” Die waren totaal uitgeput door alle gevechten. “Het was meteen al voelbaar, fysiek voelbaar, dat wij met onze brigade, niet de sterkte van een brigade hadden. Wij hadden de sterkte van een derde van de Engelse brigade. Toen ik bij de [Britse] majoor kwam om het terrein over te nemen, toen zei hij tegen mij van:

 

‘How many men are you to going to put in?’ En toen zei ik: ‘Thirty.’ En toen zei hij: ‘What? Gold help you my boy!’

 

En om ons dan ook nog een beetje gerust te stellen, zei hij: ‘Wij hebben dit gebied helaas Hellfire Corner moeten noemen’, want er werd geschoten bij het leven, met mortieren en artillerie.”

De eerste doden
In de buurt van Bréville-les-Monts, bij het kasteel van Saint Côme, vocht de Prinses Irene Brigade zij-aan-zij met de Belgisch Brigade Piron. De Nederlanders en de Belgen moesten de Duitsers hier binden, terwijl andere geallieerde troepen een omtrekkende beweging maakten. Het Nederlandse hoofdkwartier lag in een zwaar beschadigd huis, zuidwestelijk van Saint Côme. In de eerste dagen raakten vijftien militairen van de brigade gewond door vijandelijk artillerie- en mortiervuur. Op 14 augustus kwam de eerste brigademan om het leven. Wachtmeester Piet Lammers (1906-1944) van de medische dienst lag onder een boom een brief te lezen toen hij dodelijk gewond raakte door granaatscherven. Lammers was in Engeland de onder-kapelmeester van muziekkorps Prinses Irene geweest en had het brigadelied (de huidige Irenemars) gecomponeerd.

Een dag later sneuvelde de tweede Ireneman, Nico den Breejen (1916-1944), die tussen augustus 1942 en september 1943 in Noord-Afrika in het Vreemdelingenlegioen had gediend. Nadat een Nederlandse soldaat per ongeluk een alarmsignaal afzette, ontstond er verwarring waarbij Den Breejen door ‘eigen vuur’ werd gedood. Lammers en Den Breejen kregen een provisorisch graf op het kerkhof naast de Eglise Notre-Dame in het centrum van Ranville. Op deze geïmproviseerde militaire begraafplaats begroeven de Britten de slachtoffers van de strijd. Tegenwoordig is het een Oorlogsbegraafplaats van het Gemenebest met 2235 graven. Lammers en Den Breejen zijn later naast elkaar herbegraven op het Militair Ereveld Grebbeberg in Rhenen.

Soldaten van het mitrailleurpeloton van de Prinses Irene Brigade met een Vickers mitrailleur.

Behalve beschietingen hadden de Irenemannen vooral last van muggen en wespen aangetrokken door rottend fruit en kadavers van paarden die in onder water gelopen weilanden lagen. Op 16 augustus kreeg het overgrote deel van de verkenningsafdeling na het drinken van thee een voedselvergiftiging. Hemmes: “De recce-unit heeft daar – heel vervelend – een voedselvergiftiging gehad. Ik stond op wacht – ik had de indruk dat ik altijd op wacht stond – toen zij thee dronken en de melk in de thee deden. En later bleek dat die melk de oorzaak was dat ze allemaal een voedselvergiftiging hadden.” Volgens Hemmes had dat tot gevolg “dat iedereen van de leiding dacht dat ie ter plekke doodging.” Er was niemand meer die leiding gaf. “En ik stond op wacht en werd niet meer afgelost.” Een aantal leden van de verkenningsafdeling raakte binnen enkele minuten bewusteloos. Een enkeling verkeerde zelfs korte tijd in levensgevaar. Dertig werden er naar een hospitaal in La Délivrande gebracht. “Maar gelukkig bij de uitbraak konden we weer d’r achteraan.”

Vrijwel tegelijkertijd vond er namelijk een definitieve geallieerde doorbraak plaats uit het bruggenhoofd van Normandië. Op 17 augustus kreeg de brigade opdracht om gevechtspatrouilles naar de Duitse stellingen te sturen. De afstand tussen de Nederlanders en de Duitsers was zo’n 400-500 meter.

 

“…als je ook maar even ging staan, had je vuur op je dak. […] Het was niet zo dat je ongezien van de een naar de ander kon lopen. Dat moest in de tijgersluipgang.”

 

Herbrink en zijn mannen gingen in het voorterrein op onderzoek uit om vast te stellen waar de Duitsers precies zaten, om ze daarna met handmortieren onder vuur te kunnen nemen. Binnen de Duitse stellingen maakte de brigade twee krijgsgevangenen die vertelden dat hun eenheden zich voorbereidden om zich terug te trekken. “Daar waren die patrouilles voor om hun sterkte uit te proberen en tegelijkertijd kreeg je dan wel in de gaten of er elke dag meer of minder volk zat. En zodoende zeiden ze na drie dagen: ‘Het is tijd dat we ze nu maar achterna gaan.’” In de daaropvolgende dagen trok de brigade samen met de 6th Airborne Division op naar Varville en daarna verder in de richting van de Seine.

Soldaten van de Mortiersectie van de Prinses Irene Brigade bij het afvuren een 3-inch mortier.

Terug in Nederland
Via Noord-Frankrijk en België bereikte de Irene Brigade in september 1944 de Nederlandse grens. Daarna was de brigade betrokken bij de bevrijding van Tilburg, actief op Walcheren en raakte vlak voor de bevrijding nog in een hevig gevecht met de Duitsers aan de Maas bij Hedel. Ten slotte trok de Irene Brigade op 8 mei 1945 als eerste Den Haag binnen. Zowel Hemmes als Herbrink bleven na de oorlog bij de krijgsmacht. Hemmes eindigde zijn carrière als generaal-majoor van de luchtmacht en Herbrink als luitenant-kolonel van de landmacht.

1 / 5 Monument ter nagedachtenis van de Prinses Irene Brigade die in augustus 1944 rond het kasteel van Saint Côme vocht tegen de Duitsers, Rue de l’Arbre Martin, Brévilles-les-Monts.
2 / 5 Kasteel van Saint Côme, Rue de l’Arbre Martin, Brévilles-les-Monts.
3 / 5 Rudi Hemmes bij het monument van de Prinses Irene Brigade, bij kasteel van Saint Côme tijdens 75 jaar D-day op 5 juni 2019.
4 / 5 Gerestaureerd amfibievoertuig (DUKW) in de haven van Arromanches tijdens 75jaar D-day. Op de achtergrond een Phoenix caisson, een overblijfsel van de kunstmatige haven die de geallieerden aanlegden voor de aanvoer van troepen en materieel.
5 / 5 Eglise Notre-Dame in Ranville met op de voorgrond de Oorlogsbegraafplaats van het Gemenebest (Ranville War Cemetery).

Geïnteresseerd in de verhalen van veteranen die bij de Prinses Irene Brigade hebben gezeten? Deze kunt u beluisteren op www.veteranenvertellen.nl.

75 jaar vrijheid

Dit artikel is onderdeel van het thema '75 jaar vrijheid'. Kijk voor meer artikelen en verhalen van veteranen op de themapagina.
Lees meer