11 december 2019
Home Verhalen van veteranen De overval op het Huis van Bewaring in Assen

De overval op het Huis van Bewaring in Assen

11 december 1944.

Jan Bulthuis (1922-2012), geboren in het Drentse Klazienaveen en opgegroeid in Assen, meldde zich in januari 1940 als 17-jarige jongen bij het Korps Mariniers in Rotterdam om beroepsmilitair te worden. Toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak had hij slechts éénmaal met scherp geschoten. In Rotterdam vocht hij tegen de Duitsers. Op 14 mei kwam het bevel “wapens neerleggen”. Zijn voornemen om naar Engeland te vluchten, liep op niets uit. De Duitsers namen hem gevangen en hij verdween in krijgsgevangenschap. Zijn belevenissen zijn vastgelegd in twee interviews die deel uitmaken van de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen (ICNV).

Om uit krijgsgevangenschap te geraken, ondertekende Bulthuis in juli 1940 een erewoordverklaring om niets tegen de Duitsers te ondernemen. “Die heb ik getekend met de bedoeling om me daar niets van aan te trekken”, aldus Bulthuis. Hij ging terug naar Drenthe waar hij een baan kreeg bij het Rijksbureau voor de Voedselvoorziening in Assen. In mei 1943 kreeg hij opnieuw een oproep voor krijgsgevangenschap. Hij kwam voor een dilemma te staan: zich melden of onderduiken.

“Er was nog geen onderduikersorganisatie, zo van we helpen je wel even aan een adres. Je moest toen alles nog zelf uitzoeken.”

Hij besloot ondergronds te gaan. Hij verhuurde zich als boerenknecht, trok Drenthe in en werkte op diverse boerderijen als knecht. Dat ging goed totdat hij op een dag uit een badhokje een pistool van een Duitse officier stal toen hij aan het zwemmen was in het natuurbad in Zweeloo. De Duitsers waren hem al snel op het spoor. Hij wist te ontkomen.

“Toen heb ik vier nachten en dagen in het lijkenhuisje gezeten in Zweeloo. […] En ik sliep op de lijkenbaar.”

Daarna zwierf hij drie weken door Drenthe. Na drie weken ging hij weer naar zijn ouderlijk huis in Assen, waar hij op zolder onderdook. Catharinus (schuilnaam Kees) Veldman, commandant van Knokploeg (KP) Noord-Drenthe, kwam bij hem aan huis en zei tegen zijn moeder: “Je hebt een zoon, Jan, die is marinier geweest en die heb ik nodig voor mijn KP-ploeg.” Bulthuis luisterde het gesprek af en meldde zich ter plekke aan. Hij kreeg valse papieren en de schuilnaam ‘Henk’. “In het verzet kenden we alleen maar schuilnamen. Je moest zo weinig mogelijk van elkaar weten. We zaten in een vaste ploeg van een man of acht, maar ik wist van die anderen niets, alleen de schuilnaam. Dat is het allerbeste ook, want hoe meer je weet hoe meer je kunt verraden.”

Wapendroppings
Nadat Bulthuis zich bij de KP-ploeg had aangesloten, sliep hij op steeds wisselende adressen. Met de KP-ploeg deed hij mee met overvallen op distributiekantoren en was hij betrokken bij droppings. “Er werden wapens gedropt. In principe ging het alleen om wapens, maar ook geheim agenten werden gedropt, als instructeur, als radiotelegrafisten.” De KP-ploeg zocht geschikte afwerpterreinen en gaf die door aan het Bureau Bijzonder Opdrachten in London, een Nederlandse geheime dienst die sabotageacties door het verzet coördineerde. Op Radio Oranje waren codezinnen te horen als ‘Kees heeft een goede vangst gedaan’, ‘Napoleon was een groot man’ en ‘Wij komen voor middernacht’, zodat de KP-ploeg wist wanneer en op welke afwerpterreinen wapens werden gedropt. De wapens zaten in containers van tweeëneenhalve meter lang die aan parachutes uit vliegtuigen werden gegooid. “Wij stonden op het afwerpterrein en stelden ons op in de vorm van een L. Witte lamp, rode lamp, witte lamp, seinlamp. En we wachtten gewoon tot we geluid hoorden. Als we een vliegtuig hoorden dan ging de lamp aan.” Met hulp van boeren verzamelden ze de gedropte containers en verborgen de wapens op boerderijen in de omgeving van de afwerpterreinen.

1 / 2 Reconstructie van een wapendropping na de oorlog. Transport van droppingscontainers met roeibootjes door mensen van het verzet. (Bron: Verzetsmuseum Amsterdam)
2 / 2 Het verzet begroef soms wapens na een dropping. (Bron: NIOD)

In de nacht van 26 op 27 september 1944  werden niet alleen wapens gedropt, maar ook zes parachutisten: vijf Belgische parachutisten van het 5e Regiment Special Air Service (SAS) en de Nederlandse commando Rudy Blatt, van oorsprong een Duitse Jood die al in 1933 naar Nederland was gevlucht. Deze zes militairen (team Gobbo) hadden als taak informatie verzamelen en het verzet trainen. De KP-ploeg Noord-Drenthe bracht team Gobbo onder bij boer Pieter Nijdam in Orvelte. Vanuit de boerderij onderhield het team radiocontact met Engeland.

Eind oktober 1944 ging het mis. In de nacht van 23 op 24 oktober waren er wapens gedropt in de buurt van Bruntinge. Twee dagen later fietsten zes leden van de Knokploeg Noord-Drenthe naar het afwerpterrein om een paar achtergebleven containers op te ruimen. Onderweg passeerden ze de boerderij van Nijdam. Die was kort daarvoor overvallen door de Duitsers die de zender van team Gobbo hadden uitgepeild. “Die zes jongens van ons rijden zo in de armen van de Duitsers”, vertelt Bulthuis. Team Gobbo had zich echter goed verborgen. De Duitsers konden ze niet vinden, maar stonden klaar om de boerderij in brand te steken zodat ze tevoorschijn zouden komen. “Ze hadden een zendapparaat en een Tommy Gun op de deel gevonden. Dus ze wisten dat ze er zaten”, aldus Bulthuis. Terwijl de Duitsers de zes KP-leden verhoorden, kon team Gobbo ontsnappen. De rest van de KP-ploeg rook onraad toen de zes niet kwamen opdagen. Ze waarschuwden de boeren in de omgeving dat het mis was gegaan.

“Onderduiken, onderduiken, onderduiken, want het is fout. Nou, het was ook dik fout. De zes jongens zijn in elkaar geramd. Op een gegeven moment tegen elkaar uitgespeeld. Van de een zegt dit en de ander zegt dat.”

Er volgde een grote razzia waarbij de Duitsers wapens vonden bij boeren die met de Knokploeg Noord-Drenthe samenwerkten. “Nou, dat ging dus helemaal fout. Toen werden er in korte tijd zo’n tweeëndertig man opgepakt.” Het hele verzetsnetwerk klapte in elkaar.

Overval op het Huis van Bewaring in Assen
De overgebleven KP-leden zochten elkaar op en maakten plannen om de anderen te bevrijden. Ze benaderden de directeur van de het Huis van Bewaring in Assen waar de 32 verzetsmensen en boeren naar toe waren gebracht, maar die weigerde mee te werken. Gevangenisbewaker Henk Geerts werkte wel mee en verstrekte inlichtingen over de wisseling van de wacht. De Duitse bewakers – vier SS’ers – vertrokken vaak al omstreeks zeven uur in de ochtend, terwijl hun vervangers pas rond acht uur kwamen. In de tussentijd waren er alleen Nederlandse bewakers, die volgens Bulthuis niet fout waren. De wisseling van de wacht vormde een uitgelezen kans om naar binnen te glippen.

Huis van Bewaring in Assen.

De KP-ploeg verzamelde zich bij de ouders van Bulthuis, op Kloosterstaat 9, op 150 meter van de gevangenis. Twee dagen voordat de bevrijdingsactie plaats zou vinden, kwam er een verzetsman met een Nederlandse commando met de schuilnaam Bob (korporaal Robert Michels) naar het ouderlijk huis van Bulthuis om door te geven dat Londen geen toestemming gaf voor de bevrijdingsactie. “Gaat niet door, te veel risico’s.” Michels maakte deel uit van een team van vier instructeurs dat in de nacht van 9 op 10 oktober 2019 bij Veenhuizen was gedropt, nadat team Gobbo om ondersteuning had gevraagd om het verzet te trainen. Het bestond uit drie Nederlandse commando’s en een Belgische adjudant van de Special Air Service. Nadat ‘Bob’ weg was, besloten ze om toch door te gaan. “En daar hebben mijn vader en moeder achtergestaan. Die hebben ons gesteund in dat verhaal. Dat is iets onvoorstelbaars.”

Greet, de zus van Bulthuis deed ook mee. Die stond al dagenlang op verkenning bij de gevangenis. Op 11 december 1944 gaf zijn zus door dat de Duitsers eerder weg waren. Toen ging hij samen met vijf andere jongens naar de gevangenis. Bulthuis bleef buiten op wacht staan. Hij was als Assenaar bekend bij de bewakers. Bovendien was hij de enige die vanwege zijn militair verleden met wapens kon omgaan.

“Ik was de enige die gevechtservaring had. Ik was marinier geweest en wist ook nog een beetje wat schieten was. De rest niet.”

Bulthuis moest de Duitse wacht onschadelijk maken als die voortijdig zou komen. Hij had een Colt-45 van een van de wapendroppings en het pistool dat hij in het natuurbad in Zweeloo van een Duitse officier had gestolen. “Met twee pistolen en een paar handgranaten lag ik daar voor de gevangenis. En die handgranaten had ik op scherp. Dus als die Duitsers gekomen waren, dan was er niks anders voor mij geweest dan schieten en handgranaten gooien en dan zelf ook eraan. Want levend in de handen van die Duitsers vallen, was nog erger.” Bulthuis had zich met zijn lot verzoend. Hij vond dat je dat voor je vrienden over moest hebben. “En mijn ouders dachten daar net zo over. Later als je zelf kinderen krijgt dan besef je wat dat voor ouders geweest moet zijn om dit toe te staan.”

Zodra de eerste Nederlandse bewaker zich bij de deur meldde en de deur werd ontgrendeld, sprongen vijf verzetsmannen uit de bosjes achter hem aan. Bulthuis bleef voor de deur liggen. Zijn zus hield alles van een afstand in de gaten en waarschuwde de transportploeg zodra de vijf in de gevangenis waren. Binnen openden ze de cellen van degenen die ze wilden bevrijden. Buiten stonden de vijf leden van de transportploeg in Duits uniform met een twee kleine vrachtauto’s gereed. Om het echt te laten lijken, sloegen zij de bevrijde gevangenen en de leden van de Knokploeg onder verwensingen in het Duits de wagens in. Eén auto ging naar Westerbork.

Schuilhut bij Westerbork, gebruikt door groep Westerweel. (Bron: Verzetsmuseum Amsterdam)

Onderweg werden de boeren op plaatsen die ze kenden uit de auto gezet. “Dat waren boeren uit de buurt van Borger, Westerbork, Orvelte en zoiets. Die redden zich wel”, aldus Bulthuis die in de auto zat die richting Veenhuizen en Appelscha naar Olderbekoop reed. De overval op het Huis van Bewaring was een succes. Zonder een schot te lossen, bevrijdden de twaalf KP-leden negenentwintig gevangenen die tot aan de bevrijding allemaal uit handen van de Duitsers wisten te blijven.

Samenwerking met Franse parachutisten
Zelf dook Bulthuis na de overval voor langere tijd onder in het Drents-Friese Wold bij Applescha. Daar verdreven hij en andere verzetslieden hun tijd met oefeningen onder leiding van commando sergeant Willem van der Veer, een van de vier instructeurs die in de nacht van 9 op 10 oktober bij Veenhuizen waren gedropt. In het bos nabij Oude Willem hadden ze een schuilhol gegraven dat ze de ‘Prins Bernhardkazerne’ noemden. In de nacht van 7 op 8 april 1945, vlak voor de bevrijding van Noord-Nederland, stuitten ze op een groep slapende militairen. Eerst dachten ze dat het Duitsers waren, maar het bleken Franse parachutisten te zijn van het 3e en 4e Regiment Special Air Service (SAS) die deelnamen aan Operatie Amherst. Ruim 700 Franse parachutisten waren in Noord-Nederland achter de Duitse linies gedropt met als opdracht de Duitse troepen te ontregelen en bruggen veilig te stellen die nodig waren voor de opmars het Canadese leger. Bulthuis en zijn kameraden sloten zich aan bij de Franse parachutisten en waren onder meer betrokken bij gevechten bij de bruggen nabij Appelscha en Smilde. In opdracht van kapitein Pierre Sicaud, die de burg bij Appelscha verdedigde, sloop Bulthuis door vijandelijk gebied naar een Canadees hoofdkwartier in het Friese Noordwolde waar hij de Canadezen om ondersteuning vroeg. Tevergeefs, want de Canadezen hadden de brug bij Appelscha niet nodig voor hun opmars naar Leeuwarden en Groningen. De opluchting was groot toen de Canadezen op 13 april tenslotte toch verschenen.

1 / 2 Kapitein Pierre Sicaud, commandant van de 2e compagnie van het 4e Regiment Special Air Service, met de Franse vlag op 13 april 1945 bij de brug in Appelscha. (Bron: Roger Flamand en J.H. Jansen, Operatie Amherst (2002))
2 / 2 Leden van het verzet met Franse parachutisten van de Special Air Service bij de brug in Appelscha, vermoedelijk 13 april 1945. Geheel links met fiets Jan Bulthuis. (Bron: Roger Flamand en J.H. Jansen, Operatie Amherst (2002))
1 / 2 Canadese infanteristen van The South Saskatchewan Regiment vuren door een heg tijdens het opruimen van de laatst weerstandsnesten langs het Oranjekanaal in Drenthe, 12 april 1945, (Bron: Library and Archives Canada)
2 / 2 Canadese infanteristen van de The Royal Hamilton Light Infantry aan boord van een Sherman tank van “B” Squadron, The Fort Garry Horse, onderweg naar Groningen, 13 april 1945. (Bron: Library and Archives Canada)

Bronzen Kruis
Na de bevrijding van Nederland meldde Bulthuis zich aan als oorlogsvrijwilliger om in Nederlands-Indië de Japanners te verdrijven. Hij werd ingelijfd bij het eerste bataljon van het 1e Regiment Infanterie (I-1 RI) in Zuidlaren. Voordat het bataljon naar Nederlands-Indië vertrok, was het nog enige tijd belast met het bewaken van Duitse gevangenen die landmijnen in Nederland moesten ruimen. In Nederlands-Indië werd hij bij het korps Mariniers gedetacheerd en vocht hij tegen Indonesische opstandelingen. In oktober 1948 was Bulthuis weer terug in Nederland. Hij diende in de rang van reserve-eerste luitenant nog ruim een jaar bij de landmacht voordat hij in 1950 voorgoed een overstap naar de burgermaatschappij maakte. In mei 1952 kreeg hij een Bronzen Kruis vanwege zijn activiteiten voor de KP-ploeg Noord-Drenthe, zijn deelname aan gevechten in de omgeving van Appelscha, waarbij hij samenwerkte met de Franse parachutisten, en zijn taak als boodschapper van kapitein Sicaud.

Ook een interview beluisteren?
De interviews met Jan Bulthuis zijn terug te luisteren via de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen:
zijn gevecht tegen de Duitsers in mei 1940 en zijn belevenissen tijdens de bezetting en in Nederlands-Indië.

Er zijn meerdere video-opnames waarin Jan Bulthuis vertelt over de overval op het Huis van Bewaring in Assen.

75 jaar vrijheid

Dit artikel is onderdeel van het thema ’75 jaar vrijheid’. Kijk voor meer artikelen en verhalen van veteranen op de themapagina.

Lees meer