28 april 2020
Home Verhalen van veteranen Coos Schuijl op 28 april 1945 door de Russen bevrijd uit Duits krijgsgevangenschap

Coos Schuijl, op 28 april 1945 door de Russen bevrijd uit Duits krijgsgevangenschap

Coos Schuijl (1921-2009) bracht de oorlog grotendeels in Duitse krijgsgevangenkampen door.

Ditmaal het verhaal van Coos Schuijl (1921-2009) die de oorlog grotendeels in Duitse krijgsgevangenkampen doorbracht. In 1939 koos Schuijl voor de Koninklijke Marine en belandde na de Duitse inval voor ruim drie jaar in krijgsgevangenschap. Op 28 april 1945 werd het kamp waarin hij zat door de Russen bevrijd en keerde hij eindelijk terug naar huis. Een echte veteraan heeft Schuijl zich nooit gevoeld.

Coos Schuijl werd in 1921 geboren op Java. Zijn ouders waren vanuit Nederland naar Nederlands-Indië verhuisd. Zijn vader was administrateur van een krankzinnigengesticht (tegenwoordig een psychiatrische instelling) in Lawang waarin alleen Javanen zaten. In Buitenzorg was een instelling alleen voor Nederlanders. Het Koloniale bestuur hield de verschillende bevolkingsgroepen namelijk graag gescheiden. Na veertig dienstjaren van pa Schuijl verhuisde het gezin begin 1930 terug naar Nederland. Ze gingen wonen in Harderwijk. Coos Schuijl ging in 1939 op 18-jarige leeftijd naar het Koninklijk Instituut voor de Marine (KIM) in Den Helder. Hij begon daar aan de opleiding tot marineofficier. Zijn keuze voor de marine was snel gemaakt, omdat zijn oudere broer er al zat en zijn vader militair bij het KNIL was geweest. “Je deed het uit een soort van vaderlandsliefde. En was dat het niet, dan hoorde het wel een beetje in ons gezin”, aldus Schuijl over zijn keuze voor een carrière bij de krijgsmacht.

Toen de oorlog in mei 1940 uitbrak, lag Schuijl op de ziekenboeg in Den Helder. De Duitsers bombardeerden vanaf 10 mei de marineschepen die in de marinehaven van Den Helder lagen afgemeerd. Op 14 mei, enkele uren na de capitulatie bombardeerden de Duitsers de stad bij vergissing waarbij 28 doden vielen. Tijdens dit bombardement bevonden de adelborsten zich in de schuilkelder van het KIM. Schuijl en de andere adelborsten werden door de Duitsers krijgsgevangen gemaakt. Na een korte periode gevangen gezeten te hebben, mochten ze in juli 1940 weer naar huis. Schuijl keerde terug naar Harderwijk. De adelborsten hoefden geen erewoordverklaring te ondertekenen. Waarom Schuijl dat niet hoefde, is hem nooit helemaal duidelijk geworden. Waarschijnlijk omdat de adelborsten in opleiding waren en de Duitsers het simpelweg niet nodig vonden om mensen in opleiding de verklaring te laten ondertekenen.

1 / 2 Bombardement van Den Helder door de Duitsers op 14 mei 1940. De oude Rijkswerf staat in brand. (Bron: NIMH)
2 / 2 Vlootbewegingen tijdens het bombardement van Den Helder door de Duitsers op 14 mei 1940. (Bron: NIMH)

Kamp Neurenberg-Langwasser (Oflag XIII B)
Op 15 mei 1942 kregen alle beroepsofficieren en -onderofficieren een oproep om zich in de legerplaatsen Assen, Ede, Bussum, Breda en Roermond te melden voor de jaarlijkse controle. Schuijl moest naar de kazerne in Bussum. Op de oproep stonden de heen- en terugreistijden vermeld. Geen enkele officier koesterde argwaan. Sommige hadden hun echtgenote of vriendin meegenomen die buiten wachtten totdat ze weer naar huis mochten. In totaal meldden zich 2.700 militairen. In tegenstelling tot de voorgaande jaren mochten ze echter niet naar huis, maar namen de Duitsers ze krijgsgevangen. Dat dit een list van de Duitsers was, hadden ze niet door. Uit de verhalen van de militairen komt naar voren dat ze niet veel kleding of bagage bij zich hadden. Schuijl over de oproep:

“Ik vond het eerst niet onaardig, want ik zag al mijn oude makkers terug, maar al gauw zagen we de Duitsers aankomen met allerlei wapentuig.

Na de registratie werden de militairen, onder wie Schuijl, direct afgevoerd naar het krijgsgevangenkamp Neurenberg-Langwasser (Oflag XIII B). Daar werden de Nederlanders in blok 1 (800 man) en blok 2 (1200 man) ondergebracht. De Nederlanders betrokken de blokken vrij willekeurig, maar de adelborsten en cadetten van het KIM zorgden dat ze zo veel mogelijk bij elkaar zaten. Schuijl kwam op 16 mei 1942 aan in het kamp. Hij herinnert het zich als een ellendig kamp. “Je kreeg erg slecht te eten en als je ’s-morgens wakker werd had je het gevoel dat je niet kon opstaan. Uiteindelijk stuurde het Rode Kruis pakketten. Toen werd het wel ietsje beter.”

Kamp Stanislau (Stalag 371)
De Nederlandse krijgsgevangenen zaten relatief kort in kamp Neurenberg-Langwasser, namelijk van 16 mei 1942 tot 1 augustus 1942. In augustus werden ze overgeplaatst naar kamp Stanislau, ook wel bekend als Stalag 371. Het lag in de buurt van de stad Stanislau, die tot 1918 deel uitmaakte van Oostenrijk-Hongarije, in het interbellum Pools was en tegenwoordig in de Oekraïne ligt. “In vergelijking met het eerdere kamp was dit een soort ideaal. Met maar zestien man op een kamer en we kregen behoorlijk te eten. En verder was de hele huishoudelijke dienst in handen van de Nederlanders zelf. We kookten en wasten zelf”, aldus Schuijl.

Het Nederlandse Rode Kruis geeft het thuisfront bericht van de overplaatsing. Oorlogscorrespondentie van het Nederlandse Rode Kruis, 8 augustus 1942. (Bron: Nationaal Archief).

In kamp Stanislau was Schuijl enige tijd verantwoordelijk voor de pakketuitgifte van het Rode Kruis en familie. “Conservenblikken bleken ideaal voor het smokkelen van radio-onderdelen en dat is ook gelukt. Er werden wel met regelmaat razzia’s gehouden.” Schuijl vertelt verder:

“De Duitsers waren ten opzichte van ons als aspirant-officieren nooit vervelend, maar ten opzichten van de officieren waren ze wel vervelend, maar die werden ook vervelend. Wij hebben nooit het nut ingezien om Duitsers te pesten, want dat hielp niet.”

Ten overstaan van de Nederlandse (aspirant)officieren hielden de Duitsers zich aan het Verdrag betreffende de behandeling van krijgsgevangenen uit 1929. Oost-Europese krijgsgevangenen kregen een andere behandeling. Oost-Europeanen werden door de Nazi’s als een ondergeschikt ras beschouwd en erg slecht behandeld in de kampen. West-Europeanen daarentegen werden doorgaans redelijk tot goed behandeld. Schuijl vertelt hierover: “Onheuse behandelingen hebben bijna nooit plaatsgevonden, alleen als je probeerde te ontsnappen dan belandde je een paar dagen in de ‘nor’.”

Cadetten en adelborsten met “kale kop” in krijgsgevangenschap, Stalag 371 Stanislau in 1943. (Bron: NIMH)

Hoewel de Duitsers de Nederlandse officieren over het algemeen goed behandelden, voelden ze zich wanhopig. “Ik zeg altijd wat wij hebben meegemaakt in vergelijking met sommige anderen, zoals soldaten in het veld, zaten wij in een soort Centerparcs. Op zichzelf was het allemaal niet erg, maar je weet niks. Je kent je toekomst niet. Je wist niet wat de Russen gingen doen of Himmler [beruchte SS-leider]. Wij mochten er niet uit, het was uitzichtloos.”

Het kamp en sportterrein van Stanislau, 1943 (Bron: NIOD)

Na de zomer van 1943 werd het duidelijk dat de Russen in hoog tempo terrein wonnen. Er deden geruchten de ronde dat het kamp Stanislau ontruimd zou worden. Dat gebeurde tussen 10 en 12 januari 1944. In drie verschillende transporten werden de krijgsgevangenen per trein overgebracht naar kamp Neubrandenburg (ongeveer 140 km van Berlijn) waar ze tussen 15 en 18 januari 1944 aankwamen. Schuijl bereikte het kamp op 17 januari. Tijdens de reis naar Neubrandenburg probeerden 118 militairen te ontsnappen. Sommige deden dit door zich schuil te houden in het bijna lege kamp van Stanislau. Anderen zagen kans om te ontsnappen tijdens de mars naar het station. De meeste krijgsgevangenen ontsnapten door tijdens de reis uit de trein te springen. De vluchtpogingen waren niet succesvol. Het lukte slechts een enkeling uit handen van de Duitsers te blijven. De meesten werden weer opgepakt of tijdens hun vluchtpoging neergeschoten.

Toegangspoort met Nederlandse vlag, Oflag 67 Neubrandenburg. Voorjaar 1945. (Bron: NIMH)

Kamp Neubrandenburg (Oflag 67)
Het ‘comfort’ van de stenen gebouwen in Stanislau waren de militairen kwijt. In Neubrandenburg (Oflag 67) werden ze weer in houten barakken gehuisvest. Over de reis vanuit Stanislau naar Neubrandenburg vertelt Schuijl niet zo veel. Ook over de bevrijding van het kamp verwart hij zich. Hij spreekt namelijk over de bevrijding van kamp Stanislau en niet over de bevrijding van kamp Neubrandenburg. Terwijl ook Schuijl uiteindelijk in april 1945 werd bevrijd door de Russen. Het enige dat Schuijl zich nog wist te herinneren was dat er nog amper Duitsers in het kamp waren en dat hij de Russen aan zag komen lopen. Kamp Neubrandenburg werd uiteindelijk op 28 april 1945 door de Russen bevrijd. Na de bevrijding van het kamp hoorden de Nederlandse krijgsgevangenen niks van de Nederlandse regering. De militairen besloten om zelf terug te keren. De Russen brachten ze tot aan de demarcatielijn en overhandigden Schuijl en de anderen aan de Engelsen. Uiteindelijk keerden ze terug in Nederland waar het Rode Kruis ze opving.

Nederlandse krijgsgevangenen lopen door de kampstraat na bevrijding van het kamp Neubrandenburg. Mei 1945. (Bron: NIMH)

Na de oorlog
Na de oorlog werd Schuijl per ongeluk herkeurd en door de administratieve chaos, die na de oorlog heerste, werd hij niet uitgezonden naar Nederlands-Indië. Dat vond Schuijl lange tijd erg jammer, want hij had graag een bijdrage geleverd. Daarnaast heeft Schuijl lange tijd een hekel aan Duitsers gehad. Niet alleen omdat hij zelf lang krijgsgevangene was van de Duitsers, maar bij thuiskomst leerde hij dat zijn familie hard was geraakt door de oorlog. In november 1941 werden zijn ouders ter dood veroordeeld, omdat zij een Engelse piloot in huis hadden. Deze doodstraf werd omgezet in tien jaar gevangenisstraf. Later is zijn vader toch ter dood gebracht vanwege inlichtingenwerk. Zijn moeder heeft de rest van de oorlog doorgebracht in Duitse gevangenissen. En zijn broer, die marineofficier was op de Nederlandse torpedobootjager Hr.MS. Piet Hein, sneuvelde op 19 februari 1942 in Indië tijdens de Slag in de Straat van Bandoeng.

Schuijl is altijd erg gereserveerd geweest over het feit dat hij veteraan was. Misschien heeft het te maken met het feit dat hij nooit heeft gevochten en alleen gevangen heeft gezeten, terwijl zijn vader en broer het hoogste offer voor de vrijheid brachten.

‘Om mezelf veteraan te noemen. Nou… dat vind ik een ‘lachertje’. Ik heb wel bijna een bom op mijn hoofd gehad, maar goed je kunt ook onder een trein komen.’

‘Ik ben terug geweest in Stanislau en we werden daar ontvangen als dappere helden, dan zak je toch door de grond als dat tegen je gezegd wordt? Zeker tegenover de echte helden en mannen die bij bosjes gesneuveld zijn”, aldus een terughoudende Schuijl. ‘

Interview luisteren?
In het kader van de Interviewcollectie Nederlandse Veteranen (ICNV) werd Schuijl geïnterviewd over zijn ervaringen in krijgsgevangenschap. Ook benieuwd naar het hele interview van Schuijl? Luister het interview hier.

75 jaar vrijheid

Dit artikel is onderdeel van het thema ’75 jaar vrijheid’. Kijk voor meer artikelen en verhalen van veteranen op de themapagina.

Lees meer