21 juli 2020
Home Nieuws Arnon Grunberg laat zijn gedachten gaan over heldendom en de dood

Arnon Grunberg laat zijn gedachten gaan over heldendom en de dood

Voor wat of wie zijn we bereid te sterven?

Er was een tijd dat wij de gewelddadige dood van onze zonen en vaders bijna als iets vanzelfsprekends aanvaardden. Tegenwoordig zijn we niet meer zo overtuigd van het hogere doel dat aan het hoogste offer ten grondslag ligt. Schrijver Arnon Grunberg schijnt zijn licht op deze ontwikkeling.

Er moet een tijd zijn geweest dat de strijder nog een ondubbelzinnige held was, er moet een tijd zijn geweest dat moed en heldendom woorden waren die konden worden uitgesproken zonder het voorbehoud waarmee men die woorden tegenwoordig in de mond zal nemen als het gaat om strijders. De Griekse tragediën, om maar een voorbeeld te noemen, confronteren ons met die tijd, en het is niet zeker of we er rouwig om moeten zijn dat dat allemaal voorbij is.

Achilles, de strijder die onder meer een rol speelt in de tragedie Ifigeneia in Aulis van Euripides, is een goed voorbeeld van iemand die ongegeneerd een held is. Hij heeft zijn reputatie te danken aan zijn strijdlust, zijn moed, het vermogen de vijand te vermorzelen.

In mijn boek De Mensheid zij geprezen schreef ik bij monde van een personage, een advocaat, dat helden doorgaans dood zijn. En een van mijn favoriete Bijbelpassages leert ons dat het beter is te leven als hond dan te sterven als leeuw. De eeuwige roem, die voor Achilles nog een zaak was waarover weinig twijfel leek te bestaan, is in het ongerede geraakt. Roem is tijdelijk, misschien niet vijftien minuten, zoals Andy Warhol gezegd schijnt te hebben – men is niet helemaal zeker of hij dat heeft gezegd of dat die uitspraak alleen aan hem wordt toegeschreven – maar aan de eeuwigheid ervan gelooft vrijwel niemand meer. En zelfs als, wat heb je er uiteindelijk aan?

Daarmee zou de zaak kunnen zijn afgedaan – het eigen leven voor alles, heldendom is voor sukkels – ware het niet dat dat zou betekenen dat alleen het eigen leven heilig is. Iedereen die nog wel bereid is te sterven voor iets anders dan het eigen leven, oefent een bepaalde macht uit over al die mensen die hun leven niet wensen op te offeren, ook dat moet niet vergeten worden.

“Iedereen die nog wel bereid is te sterven voor iets anders dan het eigen leven, oefent een bepaalde macht uit over al die mensen die hun leven niet wensen op te offeren, ook dat moet niet vergeten worden.”

Wie wil praten over de betekenis van het leven – wie wil dat niet van tijd tot tijd – ontkomt niet aan de vraag waarvoor hij bereid is te sterven. Als het antwoord luidt ‘nergens voor’ impliceert dat niet meteen dat het leven betekenisloos is, maar zo’n antwoord lokt wel de vraag uit: wat is van waarde in dit leven? Het lijkt erop dat als puntje bij paaltje komt alleen het eigen leven van waarde blijkt.

Leven ís risico
Het is makkelijk gezegd dat men bereid moet zijn voor bepaalde dingen te willen sterven, de eigen kinderen bijvoorbeeld, of de vrijheid, een tamelijk abstract begrip als het je zoon of je vader betreft die is gesneuveld, maar misschien heeft mijn voorbehoud ook te maken met het feit dat dat op vrijwel elke oorlogsherdenking het sterven voor de vrijheid ter sprake komt. Al als kind dacht ik: wat is dat voor vrijheid waarvoor je moet sterven? Ik weet in elk geval niet of ik daartoe bereid zou zijn. Hooguit zou ik kunnen zeggen dat ik bereid ben bepaalde risico’s te nemen als er in mijn ogen grenzen zijn over schreden die niet overschreden hadden mogen worden. Daaraan voeg ik meteen toe: leven ís risico’s nemen – wie ben je als je het alleen maar voor jezelf kunt opnemen, misschien ook wel: wie ben je als je alleen maar voor je eigen groep kunt opkomen? –, hooguit neemt de ene beroepsgroep meer risico’s dan de andere, het ene individu meer dan het andere.

Humanitaire missie
Er was een tijd dat wij de gewelddadige dood van onze zonen en vaders bijna als iets vanzelfsprekends aanvaardden. Denk aan de twee wereldoorlogen; alleen al tijdens de Eerste Wereldoorlog is aan Franse en Duitse zijde zo ongeveer een hele generatie aan jongemannen weggevaagd. Die dood, de dood in het algemeen van ‘onze’ mensen, is steeds minder acceptabel geworden. Daar zijn ongetwijfeld demagogische en culturele redenen voor. Wij krijgen steeds minder kinderen, de kinderen die er zijn, zijn daarom ‘kostbaarder’. Daarnaast is het geweld in de eigen cultuur niet meer vanzelfsprekend. Zeker na 1945 is de oorlog van zijn voetstuk gevallen en daarom noemen wij zo’n oorlog liever ‘humanitaire missie’.

Daartegenover staat de omgang met oorlogsdoden op een ander continent, of misschien beter gezegd: in andere culturen. Miljoenen oorlogsdoden de afgelopen decennia in Congo zijn vrijwel onopgemerkt gebleven. Tijdens sociale onrust in Irak in 2019–2020 zijn circa 700 doden gevallen, daarbij vergeleken is het politiegeweld in Amerika vooralsnog mild.

Onacceptabel
Voor ons is vroegtijdige dood in het algemeen eigenlijk onacceptabel geworden. Dat kan worden uitgelegd als een verworvenheid, een beschavingsideaal dat werkelijkheid is geworden, maar ook kan dat worden gezien als een teken van decadentie: het leven is een recht geworden dat niemand en niets van ons mag afpakken.

Moet er altijd een mensenoffer worden gebracht, opdat wij kunnen leven? Zeker is, zoals ik al opmerkte, dat als wij dat mensenoffer niet meer willen brengen, zij die het nog wel willen brengen in het voordeel zijn, al was het maar het voordeel van het geloof in iets wat groter is dan het eigen leven en welzijn.

Hypocriet
Dankzij de oorlogen in Irak en Afghanistan weten we – en ik geloof niet dat dat een omstreden inzicht is – dat het leger eigenlijk slecht is toegerust voor humanitaire missies of wederopbouw, een leger dient de vijand zo doelmatig mogelijk uit te schakelen. Maar wanneer verdient de vijand het zo doelmatig mogelijk te worden uitgeschakeld?

Dat zijn niet alleen morele maar ook politieke beslissingen en politieke beslissingen zijn altijd tevens pragmatische beslissingen. Flagrante schending van mensenrechten waar dan ook ter wereld zou een reden kunnen zijn het leger in te zetten,  maar ook beseft iedereen dat wanneer elke flagrante schending van dergelijke rechten door het leger bestreden zou moeten worden dat leger weldra in vlammen zal opgaan en de strijd eeuwig zal zijn. De tijd dat Amerika als sheriff van de wereld wenste op te treden, ligt lang achter ons en ook dat optreden was vaak dubbelzinnig om niet te zeggen ronduit hypocriet.

Voor de rechtsorde
Een militair sterft dikwijls voor de vergissingen van politici, dat is waar, maar ook dat kan niet het hele verhaal zijn. Het leger en de politie brengen het monopolie van de staat op geweld in praktijk. Zonder dat staatsmonopolie is de staat een omhulsel dat erop wacht te worden weggeblazen. Militairen sneuvelen uiteindelijk, kun je zeggen, voor de rechtsorde, ook de internationale rechtsorde, als het goed is. En als gezegd, vaak is het onduidelijk wat door middel van het geweld, het leger, bereikt moet worden. Wat betekent beschermen van de rechtsorde als de beschermers ervan die orde onder de voet lopen? Misschien komt de maatschappelijke weerzin tegen sneuvelen van eigen soldaten ook precies voort uit dat besef: dat de reden waarom er oorlog gevoerd wordt vaak niet goed is, of althans niet goed genoeg.

Helden?
Wie over mensenoffers spreekt, spreekt vroeg of laat over helden. Een diffuus woord in een tijd dat iedereen opeens toch een held is, van vakkenvullers via tramconducteurs tot verpleegkundigen. Ik misgun niemand het voorrecht held te zijn, maar als iedereen het is, dan is ook niemand het meer. Ik vermoed dat heldendom veel met het brengen van offers te maken heeft.

Achteraf verdwijnt morele ambiguïteit als sneeuw voor de zon, maar op het moment zelf worden morele keuzes, zeker in tijden van oorlog, in grote onzekerheid en vaak onder intense druk gemaakt. Daarmee wil ik geen misdaden excuseren, maar onze weerzin tegen het offeren van ‘onze eigen mensen’ komt ook voort uit een diep wantrouwen. Wij zijn niet meer zo overtuigd van het hogere doel dat aan die offers ten grondslag ligt. Het vaderland is nog doder dan God. De vraag blijft hoe het goede, de internationale rechtsorde, te beschermen, en onder welke voorwaarden men bereid is daarvoor het grootst mogelijke offer te brengen.

Wie van de ander bereidheid vraagt het grootst mogelijke offer te brengen, moet kunnen uitleggen waarvoor precies het gebracht wordt. Een brede consensus dient vooraf te gaan over wat die rechtsorde nu eigenlijk is die alle bescherming verdient. Ook die consensus zie ik meer en meer afnemen.

 

“Moet er altijd een mensenoffer worden gebracht, opdat wij kunnen leven?”