9 juni 2020
Home Nieuws Wilbur Scott over herdenken en trauma

Wilbur Scott over herdenken en trauma

‘Ik heb nooit meer aan Vietnam gedacht’.

De Amerikaanse emeritus hoogleraar, militair socioloog en Vietnamveteraan Wilbur Scott hield in maart in het Veteraneninstituut een lezing over de politiek van herdenken. ‘Het herdenken van een oorlog is een inherent politieke gebeurtenis.’

Sinds 1985 onderzoekt Scott de sociologie van oorlog en veteranenzaken en publiceerde onder meer de sociologische studie Vietnam Veterans Since the War. Scott zegt halverwege zijn lezing: ‘Ik moet niet geobsedeerd zijn door mijn eigen oorlogsherinneringen. Hoe zit het met de verhalen van de lokale Vietnamezen. Ze maken ook deel uit van het verhaal.’ Hij doelt hier op just commemoration, rechtvaardig herdenken, een manier van stilstaan bij het verleden waarbij niet alleen de stemmen van de eigen Amerikaanse of Nederlandse veteranen gehoord worden, maar ook die van Vietnamezen, Irakezen en Afghanen. Hij zal tijdens het interview in een Amsterdamse hotellobby later toegeven dat dit voor pas teruggekeerde militairen niet makkelijk is, destijds ook niet voor hemzelf.

In uw lezing haalde u het onderwerp de politiek van herdenken aan.
‘Of je het nu leuk vindt of niet, het herdenken van een oorlog is een inherent politieke gebeurtenis. Er doen concurrerende versies de ronde van wat er is gebeurd en waarom. Niet alleen verteld door de regering, secties binnen de krijgsmacht en rivaliserende politieke partijen, maar ook door belangengroepen, opiniemakers en veteranen.

Stel je een publieke ceremonie voor. Wiens idee is het om een ceremonie te houden en wiens versie van de oorlog zal de meest prominente zijn? Wie wordt er geëerd en wat wordt er gezegd? Door het concept van de politiek van herdenken wordt duidelijk dat niet ieders versie van de gebeurtenis gehoord en geaccepteerd wordt. Slechts enkelen hebben de macht of ontwikkelen de middelen om hun versie tot een “vanzelfsprekend feit” te maken.’

Hoe kwam het nationale Vietnam Veterans Memorial in Washington tot stand, als de politiek van herdenken een wedloop van concurrerende stemmen is?
‘Dat is te danken aan Jan Scruggs, een Vietnamveteraan, die met een kleine groep mensen meer dan 10 miljoen dollar ophaalde. Dat lukte hem door een apolitiek monument voor te stellen. Zodra Scruggs bij veteranen voor het ​​gedenkteken pleitte, kreeg hij vaak de vraag of hij voor of tegen oorlog was. Hij zei dan: “This isn’t about the war, this is about the warrior. Ik vraag je niet om de oorlog af te keuren. Ik vraag of je bereid bent om de doden te herdenken.” Met die boodschap is het hem gelukt. Het monument gaat niet over de grotere zaak zoals vrijheid, maar vermeldt alleen de namen van meer dan 58.000 Amerikanen die in Vietnam zijn gesneuveld.’

U pleit voor rechtvaardig herdenken. Vraagt u niet teveel van veteranen die zelf zoveel hebben meegemaakt?
‘Ik begrijp dat rechtvaardig herdenken niet eenvoudig is voor een thuiskomende militair. Je bent zo verwikkeld in je eigen problemen dat je die van anderen niet kunt zien. Je moet eerst persoonlijke antwoorden vinden, voordat je openstaat voor de oorlogservaringen van anderen.’

Hoe zat dat bij uzelf?
‘Twaalf maanden was ik pelotonscommandant bij een infanteriedivisie, gestationeerd in de centrale hooglanden van Vietnam, bij de grens van Cambodja. We zaten in een ondoordringbare jungle, waar we met helikopters overheen moesten. Toen ik in 1969 terug in Amerika kwam, was het een gepolariseerd land, verdeeld tussen pro- en anti-oorlogsbewegingen. De echte moeilijkheid voor mij was hoe ik moest omgaan met de doden. Bij een rechtvaardige oorlog is er een grotere context die deze vraag bevredigend zou kunnen beantwoorden, en dat helpt je om verder te gaan. Maar als de oorlog niet nodig was, vraag je je af waarom mijn mannen moesten sterven. Was hun dood zinloos?’

 

“De echte moeilijkheid voor mij was hoe ik moest omgaan met de doden. ”

Heeft u daarop antwoord kunnen vinden?
‘Lange tijd lukte dat niet. Een jaar na Vietnam kwam ik in de problemen, voelde ik me vaak onrustig, en ging ik drinken. Heel gezellig, maar ik stopte niet en werd vijandig. Na een vechtpartij moest ik contact opnemen met een psychiater – dit in een tijd dat er geen oorlogsgerelateerde psychologische diagnoses bestonden – die mij zei dat ik gespannen was en dat ik moest kalmeren. Uiteindelijk zei ik tegen mezelf dat het over is, dat ik er klaar mee ben. Vietnam is me geen enkele gedachte meer waard. Ik heb daarna nooit meer aan Vietnam gedacht. Als iemand er iets over zei, liep ik de kamer uit. Ik studeerde af, deed een promotietraject en kreeg een baan als professor. Ik wist niet dat ik veteraan was. Ik ging verder met mijn leven.’

Dat was dat?
Na vijftien jaar kreeg ik nachtmerries. Ik voelde me erg gespannen. Mijn huwelijk ging stuk. Een jaar later leerde ik mijn nieuwe vriendin kennen en haar broer was ook Vietnamveteraan. Vlak nadat ik haar leerde kennen pleegde hij zelfmoord. Ik zocht hulp bij psycholoog Christa Dixon om met zijn zelfmoord om te gaan. Ik vertelde dat mijn problemen niets met Vietnam te maken hadden, maar met zijn suïcide. “Zo werkt het niet”, zei ze, “hoogstwaarschijnlijk kun je dit niet verwerken omdat je de doden in Vietnam niet hebt verwerkt.” Dixon gaf me de opdracht om mijn Vietnamverleden in bewuste herinneringen terug te halen, iets wat ik erg pijnlijk vond. Uiteindelijk wilde ik weten of hieruit iets positiefs zou kunnen voortkomen. Ze adviseerde me om het te bestuderen, om erover te schrijven. Analyseren, dat is wat ik doe voor de kost. Het leidde tot een publicatie over Agent Orange (een chemisch ontbladeringsmiddel dat tot gruwelijke verminkingen en ziekten leidde, red.) en later tot mijn boek Politics of Readjustment, nu heruitgegeven als Vietnam Veterans Since the War. Dat boek gaat onder andere over hoe PTSS een officiële diagnose werd.‘

Wat is u na de decennia van onderzoek opgevallen?
Toen ik eind jaren tachtig Agent Orange begon te onderzoeken, gingen alle geschriften over de effecten van het middel op Amerikaanse militairen, terwijl wij deze chemische stof over het platteland van Vietnam spoten, dus hoe zit het met de Vietnamezen? Hetzelfde zie ik tegenwoordig met PTSS. Er is een bepaalde obsessie met betrekking tot onze veteranen, maar wat is de mate van PTSS onder mensen in Vietnam of Afghanistan?

Het is belangrijk te luisteren naar hun verhaal, hoe lastig dat ook is. Ik zie het als onderdeel van posttraumatische groei. Groei betekent uit je eigen cocon stappen, waardering opbrengen voor de verhalen van anderen. Vaak ontwikkel je bij posttraumatische groei ook minder enthousiasme voor oorlog en ontstaat er meer gevoeligheid voor andere slachtoffergroepen. Als je dat inziet, groei je beetje bij beetje, zoals een bloem die bloeit uit een barst in de stoep.’

Wilbur J. Scott diende in 1968-1969 in Vietnam als pelotonscommandant bij de 4th US Infantry Division. Momenteel is hij emeritus hoogleraar bij de afdeling Behavioural Sciences and Leadership aan de U.S. Air Force Academy. Zijn specialisaties zijn onder meer militaire sociologie, de sociologie van geweld en oorlog en de sociologie van veteranenzaken. Hij heeft twee standaardwerken gepubliceerd: ‘Vietnam Veterans Since the War (1993)’ and ‘Gays and Lesbians in the Military (1995)’. Daarnaast schreef hij tientallen artikelen in gerenommeerde tijdschriften en boeken over een reeks politieke en persoonlijke kwesties, waaronder oorlogservaringen en de nasleep daarvan.