9 juni 2020
Home Nieuws Het drama Srebrenica

Het drama Srebrenica

De enclave Srebrenica viel, op 11 juli 1995. Wat waren de omstandigheden die tot deze missie en het falen ervan hebben geleid?

Dertig jaar geleden valt de Berlijnse Muur en is de Koude Oorlog over. De wereld slaakt een zucht van verlichting. Het einde van de Koude Oorlog heeft echter ook een donkere zijde. Jarenlange onderdrukte gevoelens van nationalisme en etnische spanningen zorgen voor instabiliteit en zelfs gewapende conflicten, bijvoorbeeld op de Balkan en in enkele Afrikaanse landen. Tal van Westerse landen, ook Nederland, beraden zich op de snel veranderende veiligheidssituatie. Uitbarstingen van geweld in onder meer Somalië, Rwanda en Bosnië zorgen ervoor dat aanvankelijk uitbundig optimisme binnen drie jaar omslaat in somber realisme. Voor Nederland kan die transitie worden samengevat in een naam: Srebrenica.

De Nederlandse regering laat zich tussen 1991 en 1994 leiden door de overtuiging dat ons land zich niet mag onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid om voor veiligheid en stabiliteit in Europa te zorgen. Deelname aan vredesmissies is een nieuwe hoofdtaak voor een herstructurerende en afslankende krijgsmacht en het belang daarvan is nergens zo groot als in het eigen Europa.

Het ‘handhaven’ van de vrede in Bosnië blijkt al in 1992–1993 een stuk weerbarstiger dan verwacht en onder de blauwhelmen van UNPROFOR vallen tal van slachtoffers, ook Nederlandse. De internationale gemeenschap kiest voor de vlucht naar voren. Zes moslimenclaves in Bosnië die door Bosnische Serviërs worden belegerd, worden in het voorjaar van 1993 uitgeroepen tot veilige gebieden en beschermd door grondtroepen van de VN. De Bosnisch-Servische bevelhebber Mladic´ stemt hiermee in op voorwaarde dat de moslimstrijders in de enclaves hun wapens bij de VN-troepen inleveren. VN-baas Boutros-Ghali heeft echter de beschikking over slechts een fractie van de benodigde 34.000 blauwhelmen. Na lang wikken en wegen is Nederland bereid grondtroepen te leveren. De net opgerichte Luchtmobiele Brigade lost in maart 1994 een Canadese compagnie af en levert driemaal een bataljon voor het beschermen van de Oost-Bosnische enclave Srebrenica.

Het troepentekort in Srebrenica en de andere vijf ‘safe areas’ moet worden gecompenseerd met luchtsteun van NAVO-gevechtsvliegtuigen. De geloofwaardigheid van een dergelijke inzet van het luchtwapen is binnen een vredeshandhavende missie echter gering, vanwege de complexe besluitvorming hierover en de kwetsbaarheid voor represailles van veelal lichtbewapende VN-grondtroepen en VN-waarnemers.

Het is maart 1994 als drie lichtbewapende Nederlandse bataljons, Dutchbat I, II en III, een uiterst moeilijke taak te wachten staat: het beschermen van tienduizenden moslims in een volledig door Bosnische Serviërs belegerde en uitgeknepen enclave. Ondanks provocaties van de Bosnisch-Servische troepen rond de enclave en van de moslim-strijders van Naser Oric´, slagen Dutchbat I en II erin de vrede te handhaven waar geen vrede is. Dat de uitvoerbaarheid valt of staat met de medewerking van de conflictpartijen, wordt evenwel in juli 1995 pijnlijk duidelijk. ‘Srebrenica’ is een internationale missie en een internationale verantwoordelijkheid, maar in juli 1995 staan de mannen en vrouwen van Dutchbat III er alleen voor. Kansloos. Niet in staat het drama en de daaropvolgende genocide te voorkomen.

srebrenica-veteraan-pattiwael-checkpoint

AOOi Spencer Pattiwael van Westerloo werd samen met dertig andere Nederlandse militairen een aantal dagen door de Bosnische Serviërs gegijzeld.

‘Onze post werd steeds vaker beschoten en patrouilles werden onder vuur genomen, ook met zwaar kaliberwapens. We hadden heel veel geluk dat er bij ons geen slachtoffers vielen. Op zo’n blauwe VN-helm is het makkelijk richten. Zelf waren we lichtbewapend en mochten we met ons beperkte mandaat alleen onder bepaalde voorwaarden terugschieten. Ook onze observatiepost werd ingenomen. We waren nog maar met acht, negen militairen en werden constant bestookt met mortieren en artillerie. Uiteindelijk stonden de Bosnische Serviërs met een man of tachtig op onze post. Ze waren verbaasd dat wij er nog zaten en hebben ons meteen gebruikt als pressiemiddel tegen eventuele luchtaanvallen en werd gevangengehouden in een school.’

srebrenica-hilderink-checkpoint

Generaal-majoor b.d. Carel Hilderink was indertijd souschef Operatiën. Hij diende de gegevens aan te dragen voor discussies op het hoogste militaire en politieke niveau. Op 8 en 9 juli nemen de Serviërs de ene na de andere observatiepost in.

‘In de bunker werd veel gediscussieerd, met name over luchtaanvallen. Het is niet Nederland dat bepaalt of luchtaanvallen worden uitgevoerd, maar de VN in samenspraak met de NAVO. De volgende dag, 11 juli, wordt duidelijk dat de enclave militair gezien is gevallen. Toch vindt een luchtaanval plaats. Een uur later laten de Serviërs weten dat Nederlandse gijzelaars zullen worden gedood als de aanvallen doorgaan. Na de val van de enclave gaat het in de bunker vooral over de evacuatie van de vluchtelingen. Er moest alles aan gedaan worden om die mensen maximaal te beschermen door op de bussen Nederlanders te laten meerijden. Maar we hadden er niets meer te vertellen.’

srebrenica-bert-bakker-checkpoint

Voormalig Tweede Kamerlid Bert Bakker, was voorzitter van de commissie die in 2002 en 2003 de parlementaire Srebrenica-enquête. Bakker laat er geen misverstand over bestaan. In de ‘safe area’ Srebrenica faalde de internationale gemeenschap en voor de massamoord die volgde zijn alleen de Bosnische Serviërs verantwoordelijk. Maar Nederland draagt eveneens een verantwoordelijkheid. Want regering en parlement stapten op een naïeve en ondoordachte manier in een missie die uiteindelijk in juli 1995 Dutchbat III in een militair onmogelijke positie bracht. Ook na afloop heeft de Nederlandse politiek steken laten vallen, als het gaat om Dutchbat-veteranen en de nabestaanden van de slachtoffers.

srebrenica-alma-checkpoint

 

 

 

Alma Mustafic was 14 jaar toen de Bosnische Serven haar vader Rizo Mustafic vermoordden.

‘Er heeft zich een genocide in het hart van Europa heeft afgespeeld, nog niet eens zo heel lang geleden. Een genocide die nog altijd bezig is. Zelf ben ik nog iedere dag bezig met Srebrenica. Ik sta ermee op en ga ermee naar bed. Twaalf jaar lang hebben we een rechtszaak gevoerd en in 2016 oordeelde de Hoge Raad dat de Nederlandse staat tekort was geschoten bij het in bescherming nemen van mijn vader, die als electricien werkte voor Dutchbat. Nu wil ik datgene wat er gebeurd is, omzetten in iets positiefs. Ik zet me in voor een open publiek en politiek debat. Na 25 jaar zijn we er niet in geslaagd om een gemeenschappelijke taal, een gemeenschappelijke visie te ontwikkelen op de genocide van 1995.’